Recensie

Recensie Boeken

Als het persoonlijke leven politiek wordt

Jannah Loontjens In haar nieuwe roman katapulteert ze je naar het Zweden in de tijd van de moord op politicus Olaf Palme.

Illustratie Ted Struwer

Illustratie Ted Struwer

‘Hoe kan het dat elk gesprek uiteindelijk over buitenlandse politiek gaat?’ verzucht een personage in de roman En toen ging hij van Jannah Loontjens. Zijn ze gezellig bijeen om de verschijning van een kinderboek te vieren, wordt er gekissebist over boycots van Zuid-Afrikaanse producten, om het apartheidsregime dwars te zitten. Eerder werd er al gesoebat over ‘onze materialistische afhankelijkheid van klokken’, tot iemand de verlossende vraag stelde: ‘Zal ik jullie ter verhoging van de feestvreugde over onze nieuwste feministische pornofilm vertellen?’ Om maar te zwijgen over het voorval waarbij de ene volwassene de andere in zijn knie schoot, na een ruzie over het neerschieten van een eland.

We zijn in Zweden, het zijn de jaren tachtig en alles is politiek. Het is de tijd waarin een groep twintigers en dertigers de ouderwetse normen hebben losgelaten, het kerngezin hebben ingewisseld voor de vrije liefde en de roes en gemeenschapszin boven saaie waarden als sociale zekerheid stellen – ze leiden een aanrommelend leven.

Zalig – en de terugblik die Ebba in En toen ging hij werpt op haar jeugd, is ook veelal warm en idyllisch. Bosbessentaart bakken middenin de nacht én ondertussen het gevoel hebben het goede te doen. Want de gemeenschapszin staat ook voor ‘optimisme en strijdbaarheid’ en ‘vertrouwen in de zachte krachten’, in navolging van sociaal-democratisch politicus Olof Palme, die de groep adoreert. Want ‘ook ons alledaagse gewone leventje werd door politieke krachten gestuurd’, weet de groep dankzij hem.

Dat komt al aan het begin van de roman tot uiting, en meteen het ingrijpendst: als er een moordaanslag gepleegd wordt op Palme en Ebba’s moeder in de gevangenis belandt. Twee gebeurtenissen die erin hakken, misschien wel in min of meer gelijke mate. Maar voor de lezer is het nog gissen naar wat er aan de hand is, als je er niet bij was, in die tijd in Zweden. Je leest dramatische woorden, zoals dat het was alsof er een toneel onttakeld werd (‘ineens sta je op een donker podium en weet je dat alles waar je in geloofde maar een spel was’), maar de impact is niet meteen goed mee te voelen.

Ná die eerste vijftig pagina’s leeft de roman op, dan begint Ebba’s uitgebreide reconstructie – honderden bladzijden – van hoe het allemaal zo kon lopen. Dan wordt En toen ging hij een lekker boek, dat je met een mengeling van plezier en pijn leest. Pijn om hoe moeilijk deze flierefluitende volwassenen het vinden om vrijheid met verantwoordelijkheid te verenigen. Neem alleen al Ebba’s situatie, als dochter van Josefin. Die leidt zelf ook een jong en onbezonnen leven, van dagen in de zon en eindeloze nachten. Wel raakte ze als tiener al zwanger van een man die vervolgens zijn eigen pad koos – en de wereld heeft ook voor haar nog te veel verleidingen om zich in het bemoederen te storten. Ebba groeit op in de vriendengroep van haar moeder en dat is een rijkdom, maar ook een losgeslagen bende.

Denk aan een kerstfeest dat verzandt in een lsd-trip, of die avond dat de vrije liefde wordt uitgetest in de sauna. Blijheid botst op realiteit – je leest hoe iemand in alle naïviteit opmerkt: ‘Eigenlijk zouden we allemaal kinderen moeten krijgen met iemand van een andere huidskleur.’ Idealen botsen ook op de erkenning die ieder mens zoekt: Josefin heeft genoegzaam gebroken met haar ouders, maar vraagt zich op haar verjaardag toch af of ze het felicitatietelefoontje niet mist.

Je zou kunnen zeggen dat Loontjens’ roman daarover gaat: over hoe het persoonlijke leven toch altijd politiek wordt en andersom. En hoe moeilijk het dan is om een leven te leiden waarin je binnenwereld en buitenwereld in evenwicht houdt. Als bombrieven in de mode raken, vooral om linkse activisten te bestoken, is dat een klap: ‘Dat je door een brief of pakketje gedood kon worden, betekende dat ook het kleine, intieme niet meer te vertrouwen was.’ Misschien gaat de roman ook wel over hoe lastig het is om links te zijn.

Loontjens wil veel, stopte er alles in – en je kunt er blij mee zijn dat je in het lezen net zo vrij gelaten wordt als Ebba in haar leven. Maar het tegendeel is ook waar: dat er weinig heldere kaders zijn, maakt ook achteloos. Ebba is een alwetende verteller, ‘jazeker, de alziende, de god onder de vertellers’ en verdedigt dat met een feministisch argument: ‘Het schijnt dat deze verteltrant vaker door mannen is ingezet dan door vrouwen, maar wat mij betreft doet dat er niet toe.’ Goed, maar het probleem blijft dat de vertelster ‘behalve mijn eigen kindergedachten ook die van anderen zal kunnen binnenwaaien’ en dus pretendeert alles van iedereen te weten en te doorgronden.

Dat kan niet, en die hoogmoed zal haar nog duur komen te staan, denk je dan als lezer. Maar Loontjens doet daar uiteindelijk niet veel mee, te weinig eigenlijk. Dat wekt de indruk dat ze de controle juist niet helemaal in handen heeft – en dat niet echt als een probleem ziet. Ebba wentelt zich liever in de zekerheid van hoogdravende beschrijvingen (‘Gouden ochtendstralen kolken stomend tussen natte boomstammen’) en stellige bravoure: ‘Herinneringen zijn soms net taaie, zeemleerachtige zeepbubbels, die momenten in al hun kwetsbaarheid weten te beschermen en isoleren en die op wonderlijke wijze de rukwinden en tornado’s des levens weerstaan.’ Spatten bubbels niet bij de minste beroering uiteen? En als die bubbels dan van zeemleer zijn, raken ze dan niet toch uitgerekt en groezelig, verweerd mettertijd?

De herinneringen kunnen flonkeren, in En toen ging hij – wanneer ze in precieze scènes beschreven worden en veel over de mens tonen. In de kleine verhalen is Loontjens’ roman goed, het grote verhaal is te onevenwichtig om z’n ambitie waar te maken. In Ebba’s bravoure hoor je vooral iemand die de macht probéért te krijgen over het verhaal van haar eigen leven, maar daarin niet slaagt, en dat niet wil onderkennen.