Analyse

Ontwapenend bij hete hangtaboes, de bevrijdende humor van Van Kooten en De Bie werkte op meerdere lagen tegelijk

Wim de Bie De humor van De Bie verbond links en rechts, hoog- en laagopgeleid, en ook verschillende generaties, stelt , die hem af en toe ontmoette in een Haags café.

Wim de Bie, zingend, bij de presentatie van een LP in 1984.
Wim de Bie, zingend, bij de presentatie van een LP in 1984. Fotocollectie Anefo / Nationaal Archief

In de week voor zijn overlijden ging hij nog viral. Bij de recente ophef rond de ‘lentekriebels’, lesmateriaal voor seksuele voorlichting, reageerden allerlei tiktokkers en twitteraars met een filmpje uit 1992. O. den Beste, oud-leraar Duits, fulmineert tegen dit „obscene jaargetijde”, „met die bloemen die maar schaamteloos opengaan zodat je in die kelken kunt kijken en die die… die vieze meeldraden en stampers open en bloot hangen!”

Het laat zien hoe sterk dit in het collectieve geheugen zit, maar ook dat er kennelijk geen recentere satire voorhanden is ter relativering van zo’n „heet hangtaboe” (dixit Jacobse en Van Es).

Want het gebeurde vaker en zal ongetwijfeld blijven gebeuren. Na de onthullingen over The Voice kwamen de zusjes Veenendaal bijvoorbeeld voorbij, over seksuele intimidatie. („Jij liet je door de vísboer in je billen knijpen?”, „Nee nee, in m’n bórsten!”)

Van Kooten en De Bie brachten engagement zonder gebalde vuisten of opgestoken vingertjes. Natuurlijk, vakbondsleider Aad van der Naad, dakloze Dirk en O. den Beste foeteren er magistraal op los, maar of hun geestelijke vaders met hun standpunten sympathiseren of ze juist bespotten, dat moet jij als kijker elke keer weer bepalen.

Als Dirk vertelt dat hij ook wel „wat van die zwarte gasten erbij” wil opvangen, kun je daar zowel kritiek in zien op vreemdelingenhaat als op de hypocrisie van ijdele prominenten met correct geroeptoeter, vergelijkbaar met de zusjes Veenendaal die door hun aangeharkte buurtje lopen met een megafoon: „Racisme is gemeen, racisme is dom!”

Is dit een pleidooi tegen racisme, tegen tuttig bühne-engagement, zelfspot? Is die lentesketch tegen preutsheid, tegen pornoficatie, zelfspot? Het is vooral op een subtiele manier heel veel tegelijkertijd, en daardoor zo bevrijdend.

De populistische onderbuikstem werd – lang vóór dit fenomeen doorbrak – via Jacobse en Van Es te kakken gezet, maar wel met een inlevingsvermogen waar het plezier zodanig vanaf spat, dat het tot verwarring leidde. De Centrumpartij van Hans Janmaat nam tijdens de verkiezingscampagne zelfs elementen als „de vrije jongens” over. Áls het al eenduidig was wat de ‘boodschap’ was van een sketch, dan nog was het ook voor tegenstanders onmogelijk om níet te lachen, en de grappen zelfs te omarmen.

Deze humor werkt op meerdere lagen tegelijk en is daardoor ontwapenend. Hij verbindt links en rechts, ‘volk’ en ‘elite’, en niet te vergeten: oud en jong. Ik lees nu her en der dat het „vooral een intellectueel publiek” aansprak, maar dat betwijfel ik.

In pyama

Ons niet-intellectuele gezin zat er elke zondagavond voor klaar. Met natte haren, pyjama al aan. Nog eventjes opblijven voor Keek op de Week. Die herinneringen heeft vrijwel iedereen van mijn generatie, die opgroeide in de jaren tachtig en negentig. Ook klasgenoten uit wat sinds kort het ‘precariaat’ heet, een term waarvan je je, zoals bij zoveel nieuwtjes, onwillekeurig afvraagt hoe dit satirisch duo ermee aan de haal zou zijn gegaan.

We hoorden onze ouders gniffelen om wat we maar half begrepen, en schaterden zelf op andere momenten. We kregen iets mee van de actualiteit. We leerden hoe je al die journaaldingen niet bloedernstig hoefde te benaderen en raakten vertrouwd met ironie, sarcasme, zelfspot. We leerden dat taal speelgoed kon zijn: regelneef, stoned als een garnaal. Jemig de pemig. Doemdenken. Mozeskriebel. We leerden een lachspiegelwereld kennen achter de alledaagse.

De typetjes waren zelden één-op-één imitaties (zoals later bij Kopspijkers en Koefnoen), maar neigden eerder naar wat in de schilderkunst (kijk bijvoorbeeld naar Vermeer) een ‘tronie’ heet: samengesteld uit meerdere figuren, om zo tot een archetype komen, dat in zekere zin echter is dan de werkelijkheid.

Dat De Bie in 1997 al een Larense VVD’er opvoerde die sprekend leek op de dan nog onbekende Mark Rutte (hij begon dat jaar net bij Unilever), laat dat zien. Het ging niet om concrete karikaturen, maar om het prototype erachter. Die omweg confronteerde ons met waarheden onder de toevallige werkelijkheid.

Daarom kreeg je zo veel gevallen van wat Oscar Wilde ‘life imitates art’ noemde. Eén van die typetjes leek treffend op een Leidse hoogleraar oude Nederlandse taalkunde, Cor van Bree. In de koffiekamer, hoorde ik later tijdens mijn studie, vroegen ze geregeld op maandagochtend: „Heb je Cor gisteren nog gezien op tv?”

Cor zelf lachte nog het hardst. Want dat is misschien het geheim achter die verbindende humor: je lacht om ze, maar nooit zonder mededogen. De een is ijdel (politiek duider Louc Hobbema, of de Juinense burgemeester Van der Vaart), de ander naïef en over-begripvol (Mémien Holboog), een volgende gefrustreerd (Frank „daar ben ik voor behandeld” Van Putten), weer een ander verkrampt (O. den Beste). Maar De Bie zette ze neer zoals alleen een fabelachtige acteur dat kan: dwars door hun karakterfouten heen voel je ook de onderliggende kwetsuren, de onbeholpenheid, het onvermogen. Je lacht uit en leeft je in.

Geheim gangetje

Uitlachen en inleven zijn doorgaans elkaars tegenpolen. Filosoof Henri Bergson had weliswaar gelijk toen hij in zijn studie naar humor, Le rire (1900), stelde dat lachen altijd een „tijdelijke verdoving van het hart” betekende, omdat elke lach nu eenmaal een slachtoffer heeft, maar dat was buiten Van Kooten en De Bie gerekend, die een geheim gangetje ontdekten naar een wereld waarin het wel kon, gelijktijdig schaterlachen en meevoelen.

Tegen ons landje aan groeide zo een spiegel-Nederland, bevolkt door zwervers en wethouders, zussen en zonen, professoren en predikers, goedzakken en oplichters, die elk op een volstrekt unieke manier even ridicuul als aandoenlijk waren. Dat kijkers van links tot rechts en van jong tot oud nu met zoveel weemoed reageren, zegt ook hoezeer onze tijd zo’n samenbindende relativering mist.

Waarschijnlijk keken we door dit satirische duo met meer mededogen naar onze samenleving. Grimeur Arjen van der Grijn zei in NRC over de typetjes: „Ze moeten er zo uitzien, dat je ze op straat kan tegenkomen.” En inderdaad, toen ik in 2008 in Den Haag kwam wonen, zag ik ze overal op straat, in al die buurten die hier allemaal hun eigen sfeer en hun eigen cast aan karakteristieke personages hebben.

Op een dag zag ik Wim de Bie zelf door de Fahrenheitstraat lopen in mijn eigen buurt. Een kop groter dan iedereen zeilde hij door het winkelpubliek. Wie boven de dertig was keek om.

Lees ook de necrologie van Wim de Bie: Wat verlegen tv-maker die op hoog niveau satire bedreef

Daarna zag ik hem op het terras bij Bodega de Posthoorn, het klassieke eetcafé aan het Voorhout. Ik groette, bedremmeld, en tot mijn verbazing knoopte hij een gesprekje aan, hij bleek mijn columns te volgen, wat romans te kennen. Ik worstelde toen net met een hoorspel voor de radio, waar hij ter plekke – „kom even zitten” – wat adviezen voor deelde.

Boekenmarkt

Hij was inmiddels naar de oostelijke kant van Den Haag verhuisd, waar ook mijn bevriende collega Kees ’t Hart woont. Zij tweeën raakten goed met elkaar bevriend, en zodoende zaten we met enige regelmaat met z’n drieën in De Posthoorn. Soms kwamen die twee mannen net van de tweedehands boekenmarkt, en werd de buit uitvoerig doorgenomen.

We spraken over schilders, over Nescio, of over verschillende uitvoeringen van de pianosonates van Scarlatti. Maar hij was beslist niet louter op het verleden gericht. Met zijn Bieslog was hij al voorloper in het ‘bloggen’, en hij vertelde eens uitgebreid over een geavanceerde draagbare microfoon die hij op de kop had getikt om mee te nemen als hij door de stad fietste, en waarmee hij ter plekke podcasts kon opnemen.

Het ging ook veel over Den Haag, ook over de oorlogsjaren (daarover vertelt hij ook prachtig en geestig in aflevering 300 van de podcast Echt Gebeurd). En hij wilde alles weten over het Dalton, zijn oude middelbare school (waar mijn zoon toen repeteerde met een jeugdorkest en inmiddels zelf op school zit).

Aan een van de pilaren hangt een foto van hem samen met Kees van Kooten, op het terras onder de luifel. Wim de Bie zat eens precies aan het tafeltje onder die foto toen we hadden afgesproken. Zodra ik hem daarop wees wilde hij snel naar een ander tafeltje. Nee, ook liever niet bij het raam. Het moet zijn bescheidenheid en schuchterheid zijn geweest, die nu veel wordt genoemd, waardoor we belandden aan het minst opvallende tafeltje waar ik warme herinneringen aan koester.

Optreden voor publiek deed hij ook niet meer. Eén keertje nog: een praatje in de buurt van de wijk Meer en Bos, waar hij opgroeide. „Daarna heb ik besloten dat de cirkel zo mooi rond is.”