Kalm debat over slavernij-excuses levert weinig toezeggingen op

Slavernijverleden In het debat over de excuses die het kabinet aanbood voor het slavernijverleden, toonden Kamerleden zich woensdag vooral reflectief. Maar echt concrete toezeggingen aan de Kamer bleven uit.

Salima Belhaj (D66, links) vroeg veel parlementsleden naar hun reflectie. Rechts Martin Bosma (PVV).
Salima Belhaj (D66, links) vroeg veel parlementsleden naar hun reflectie. Rechts Martin Bosma (PVV). Foto Bart Maat/ANP

Is de Tweede Kamer nog in staat inhoudelijk en op rustige toon te debatteren over onderwerpen waar maatschappelijk in hoge toon over wordt geopinieerd? Ja, bleek deze woensdag in de grote zaal van het parlement. Daar werd gesproken over de excuses voor het slavernijverleden, die het kabinet ruim een maand geleden aanbood.

Urenlang debatteerden Kamerleden met elkaar en met premier Mark Rutte (VVD) en ministers Hanke Bruins Slot (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, CDA) en Robbert Dijkgraaf (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, D66). Een echt spannend debat werd het niet, het kabinet heeft een brede Kamersteun voor de gemaakte excuses.

Als Kamerleden er zelf niet over begonnen, snelde D66-Kamerlid Salima Belhaj naar de interruptiemicrofoon om reflectie te ontlokken

Wat wel opviel was de overwegend reflectieve toon – het woord „inzicht” viel bovengemiddeld vaak. Caroline van der Plas van de BBB was tot „nieuwe inzichten” gekomen door te praten met Sylvana Simons van BIJ1, zelf nazaat van tot slaaf gemaakten. Inge van Dijk van het CDA was, vertelde ze, tot een paar jaar geleden zelf nog verkleed als Zwarte Piet, en tot bijna twee jaar geleden wist ze „heel weinig af van dit onderwerp”. Zowel zijzelf als de CDA-fractie had „op dit onderdeel een hele reis gemaakt”. Marieke Koekkoek (Volt) deed een „nieuw inzicht” op toen ze met een Kamerdelegatie op werkreis ging naar Suriname, Bonaire en Curaçao: een rijmpje dat ze bij haar thuis gebruiken om te bepalen wie de afwas moet doen (iene miene mutte), werd door opzichters in Fort Elmina in Ghana gebruikt om een tot slaaf gemaakte vrouw te kiezen om te verkrachten.

Als Kamerleden er zelf niet over begonnen, snelde Salima Belhaj (D66) naar de interruptiemicrofoon om reflectie te ontlokken. Wat vonden zij persoonlijk van de kabinetsexcuses, hoe werden zij erdoor geraakt? Ze had zich, zei ze, voorgenomen „zo veel mogelijk zendtijd” te geven aan anderen die „misschien een positieve bijdrage willen leveren” aan het debat.

Excuses

Dat debat kent een lange aanloop. In de zomer van 2020 stelde het kabinet een adviescollege in, dat het slavernijverleden en de doorwerking ervan zou onderzoeken – zowel in Nederland als het Koninkrijk. Een jaar later verscheen dat advies, met aanbevelingen. Eén daarvan: het kabinet moest namens de Staat excuses aanbieden voor het slavernijverleden. Die werden in december van dit jaar door Mark Rutte gemaakt.

Hoe de excuses die Mark Rutte niet wilde, er toch kwamen

Ook Pim van Strien van de VVD had een nieuw inzicht opgedaan, maar in zijn geval leek hij er niet zo graag over te willen vertellen. Dat heeft te maken met een fonds van 200 miljoen euro, een eenmalig bedrag dat het kabinet wil uitgeven om de bewustwording over de Nederlandse rol in het slavernijverleden te vergroten. Het grootste deel van de coalitie én van de Kamer vindt dat een goed idee. Aanvankelijk leek de VVD tegen. Op Twitter had Van Strien het plan „waanzin” genoemd. „Wat de VVD betreft geen gelopen race. Kamer aan zet.”

Maar toen hij woensdag aan zet was in de Kamer bleek al snel dat de VVD zich er niet tegen zou keren. Hij wilde vooral duidelijkheid over waar het geld aan zou worden uitgegeven. De VVD, zei hij tot drie keer toe, voelt wel „ongemak” bij de hoogte van het bedrag.

Aan veel van de vragen van de Kamer komt het kabinet niet tegemoet. Zo wil het de gemaakte excuses niet wettelijk vastleggen en komen er geen herstelbetalingen aan nazaten van tot slaaf gemaakten. Wat de Kamer wel voor elkaar kreeg: een comité dat zich bezighoudt met de herdenking van de afschaffing van de slavernij gaat met werkgevers- en werknemersorganisaties praten over de mogelijkheid om van 1 juli, Keti Koti, een officiële vrije dag te maken. Het kabinet kan dat volgens minister Bruins Slot niet zelf besluiten, omdat het moet worden vastgelegd in de cao’s.