Een grote mond over wetenschap is nog geen bewijs van feitenkennis

Psychologie Mensen met extreme opvattingen over wetenschap zijn sterk overtuigd van hun kennis van zaken.

Foto Simon Trel

Een grote mond over wetenschap is nog geen bewijs dat je gelijk hebt. Of zelfs maar dat je weet waar je het over hebt. Griekse filosofen beseften dat al, tweeduizend jaar later is het nog eens bevestigd door sociaal-psychologisch onderzoek.

Een nieuwe studie van Britse biologen in het vakblad Plos Biology wijst uit dat mensen met extreme opvattingen over wetenschap, positief of negatief, navenant sterker overtuigd zijn van hun eigen kennis van zaken, óók als dat onterecht is. Dat laatste blijkt enkel het geval bij mensen aan de extreem negatieve kant van het spectrum, niet bij degenen met een extreem positieve houding. Grof gezegd, bij de stelligste hekelaars van wetenschap is het maar de vraag of ze zich niet overschreeuwen.

Die bevinding is relevant omdat resultaten en status van wetenschap inzet zijn van maatschappelijke en politieke strijd, met debatten over corona, klimaat of stikstof. Critici van de ‘officiële’ wetenschap beroepen zich daarbij vaak op feitenkennis of alternatieve interpretaties.

Kennis overschatten

Uit eerdere, kleinere studies bleek al dat mensen die negatief denken over vaccins en genetische modificatie geneigd zijn hun kennis van zaken te overschatten. Dit nieuwe onderzoek breidt dat uit en suggereert een breder verband tussen grondhouding, kennis en zelfoverschatting.

Het team van biologen, verbonden aan diverse Britse universiteiten, vroeg ruim 2.000 Britse burgers hoe ze hun kennis van genetica en verwante wetenschappen inschatten, en toetste dat vervolgens met feitelijke vragen en stellingen („tomaten bevatten niet van nature genen”, „eten van gemodificeerd fruit past je genen aan”). Uitkomst was dat mensen met een sterke mening hun eigen kennis het hoogst inschatten. Maar alleen bij degenen met een positieve houding over wetenschap bleek die claim terecht, dus gebaseerd op correcte kennis en juist begrip.

De onderzoekers bieden geen verklaring voor het ontstaan van zo’n positieve of negatieve houding. Uit hun data blijkt geen eenduidig verband met politieke overtuiging. Wel bespeuren ze een sterker negatief accent bij personen met een rechtse overtuiging. Daarentegen vertonen mensen met een linkse overtuiging de sterkste uitschieters, zowel positief als negatief, bij de vraag of we erop kunnen vertrouwen dat in genetisch onderzoek het belang van de samenleving voorop staat.

Cognitieve prestaties

Het onderzoek lijkt het cognitieve bias-effect te bevestigen dat de psychologen David Dunning en Justin Kruger in 1999 ontdekten, dat ‘laag-competente’ personen geneigd zijn hun kennis te overschatten. Ook zij vergeleken het zelfbeeld van proefpersonen met cognitieve prestaties. De Britse onderzoekers erkennen de overeenkomst, maar betwijfelen of het dunning-krugereffect altijd een rol speelt. Een te rooskleurig zelfbeeld of geloof in eigen kennis hoeft niet te wijzen op gebrek aan ‘competentie' in het opnemen van kennis, maar kan ook te maken hebben met onjuiste informatie of gevoeligheid voor complottheorieën.

Voor filosofen zal de Britse studie niet als een grote verrassing komen. In Plato’s Apologie zegt Socrates, op zoek naar kennis, dat het verschil met zijn gesprekspartners is dat hij tenminste niet denkt te weten wat hij niet weet. Het geldt als een inzicht van wijzen: beseffen hoeveel je niet weet. Een tegenvaller voor de oude Grieken zal zijn dat correcte kennis nog geen medicijn hoeft te zijn tegen zelfoverschatting. Ook uit dit onderzoek blijkt dat sterke meningen vaak eerder voortkomen uit een ondersteunende of afwijzende houding tegenover wetenschap dan uit feitenkennis. Dat strookt met het eigentijdse inzicht dat attitudes vaak belangrijker zijn en kennis is ‘gesitueerd’ in een sociale context.