Recensie

Recensie Beeldende kunst

Deze vrouwen bewezen: kunst is niet alleen een ‘mannenzaak’

Tentoonstelling ‘Vrouwenpalet' De Kunsthal presenteert een mooi overzicht van 24 vrouwelijke kunstenaars uit de eerste helft van de twintigste eeuw, die doorzetten ondanks de mannelijke dominantie.

Anna Sluijter, ‘Het bos’, ca. 1914. Olieverf op doek, collectie Simonis & Buunk, Ede.
Anna Sluijter, ‘Het bos’, ca. 1914. Olieverf op doek, collectie Simonis & Buunk, Ede. Foto Kunsthal Rotterdam

Een van de vrouwelijke kunstenaars van wie werk te zien is op de tentoonstelling Vrouwenpalet 1900-1950 in de Kunsthal in Rotterdam, gebruikte als kunstenaarsnaam vaak Bob. Daarmee voorkwam Rebecca van Gelder (1891-1945) dat ze bij voorbaat als vrouwelijk kunstenaar werd weggezet. Begrijpelijk. Want „kunst is een mannelijke aangelegenheid”, schreef de katholieke dichter en kunstcriticus Jan Engelman in 1931. Dat was de heersende mening, zo blijkt uit de catalogus bij de expositie. Zelfs modernist Piet Mondriaan vond dat abstracte kunst niets voor vrouwen was: abstract denken was iets mannelijks.

Die aanpak van Bob, die ook sarcastische spotprenten publiceerde en overleed in concentratiekamp Bergen-Belsen, nodigt uit tot een gedachtenexperiment bij een rondgang op de expositie. Daar is kunst te zien van vierentwintig vrouwen, die meestal hun vrouwennaam gebruiken, al of niet aangevuld met die van hun echtgenoot.

Wat als we bij het bekijken van hun kunst al die vrouwelijke voornamen wegdenken? Of vervangen voor namen als Robin, Mick of Guus, of Jan of Piet? Het gaat er niet om hun namen te verdoezelen, die moeten geëerd worden. Maar om hun kunst zo sekse-neutraal mogelijk te bezien. Doet hun kunst op een of andere manier onder voor die van mannelijke tijdgenoten – die wel makkelijk erkenning kregen?

Beter dan mannen

Aan de kunstwerken die op Vrouwenpalet getoond worden is niet te zien of ze door een man of vrouw gemaakt zijn. Het zijn goede schilderijen in allerlei stijlen. Zoals een fantastisch geschilderd vrouwenportret van Greet Feuerstein uit 1928, een beetje in de stijl van Charley Toorop – maar beter, en zoals destijds een criticus schreef, „zonder ooit imitatie te worden”. De krachtige abstracte schilderijen met stevige zwarte lijnen van Jacoba van Heemskerck, Charlotte van Pallandts vrouwentors, haar prachtige vrouwenkop uit graniet gehouwen en haar kubistisch schilderij van een vrouwelijk liggend naakt, de spookachtig sociaal-realistische schilderijen van Jemmy van Hoboken: het zijn allemaal kunstwerken die net zo goed of beter zijn dan die van mannelijke tijdgenoten.

Jacoba van Heemskerck, Blick auf eine Stadt, z.j. Olieverf op doek, collectie Kunsthandel Fransen, Amsterdam, in langdurig bruikleen bij Museum De Wieger, Deurne. Foto Kunsthal, Rotterdam

Maar dat werd in die tijd toch anders gezien: vrouwen speelden als kunstenaar de tweede viool, blijkt ook uit de catalogus bij de expositie die deels eerder in museum Dr8888 (Drachten) en De Wieger (Deurne) te zien was. Er staan korte levensbeschrijvingen in van de exposanten en artikelen over de moeizame strijd van vrouwelijke kunstenaars in de mannenwereld.

Dat begon al met de kunstopleidingen. Pas rond 1870 werden vrouwen in Nederland toegelaten tot hoger kunstonderwijs. En dan nog, vond de directeur van de Amsterdamse Rijksacademie August Allebé, bleef kunst een mannenzaak. Hij schreef bijvoorbeeld: „Aan de meeste schilderessen is ’t persoontje meer bezienswaard dan het werk.” Geen wonder dat veel Nederlandse kunstenaressen, of het nou dames van goede afkomst waren of dochters van kleermakers, min of meer vluchtten naar Parijs, hoofdstad van de kunsten, waar een minder conservatief klimaat heerste.

Parijs als bevrijding

Karin van Leyden maakte in Parijs kennis met avant-gardisten als Chagall, Zadkine en Man Ray. Met haar man vertrok ze in 1939 voor de naderende oorlog naar New York, waar ze een schilder van de high-society werd; op de expositie hangt haar portret van de rijke Gloria Vanderbilt.

Else Berg leerde in Parijs onder anderen Mondriaan kennen en werd een gewaardeerd modernist – tot ze door de nazi’s vermoord werd. Na de oorlog was het beeldhouwer en schilder Lotti van der Gaag die naar Parijs ging en in de Cobra-kringen terecht kwam. Ze werkte met hen, en haar experimentele beelden worden geprezen. Maar Cobra-kunstenaar Corneille schreef nog in 1994 een woedende brief naar het Stedelijk Museum in Amsterdam dat Van der Gaag tot de Cobra-groep rekende: dat vond hij „ernstige geschiedvervalsing”.

Lees ook: Labels als outsider art en volkskunst maken vrouwelijke kunstenaars minder zichtbaar

Voor vrouwen tussen 1900 en 1950 was het moeilijker dan mannen om succesvol te zijn als kunstenaar. Dat blijkt uit de verhalen in de catalogus, die af en toe verwijst naar de recente biografie van Jolande Withuis over kunstenares Jeanne Bieruma Oosting, tijdgenoot van de exposanten in de Kunsthal. Withuis beschrijft uitvoerig de strijd die een vrouw moest voeren om in eigen kring en de buitenwereld als kunstenaar erkend te worden.

‘Tusschen vrijen en werken’

Vrouwen werden geacht thuis te zitten en kinderen te verzorgen, niet een vrij beroep als kunstenaar uit te oefenen. „Het is altijd weer dat: de strijd tusschen vrijen en werken. Samen gaat haast niet – bij mij tenminste: de strijd tusschen vrouw zijn en scheppende werken”, zo wordt Charley Toorop (ook op de expositie) in de catalogus geciteerd.

Else Berg, Zelfportret, 1917. Olieverf op doek, collectie Joods Museum, Amsterdam. Foto Kunsthal Rotterdam

Ze schreef het aan de dichter Hendrik Marsman, met wie ze een affaire had. Kunst en huwelijk gingen niet samen wat haar betreft. Kunstenaar Kees van Bohemen wilde wel trouwen met beeldhouwer Lotti van der Gaag, maar dan moest zij stoppen met werken. Ze weigerde. Getrouwde vrouwen waren tot 1957 in Nederland ‘handelingsonbekwaam’ – dus dat bevorderde de zaak ook niet.

Op de expositie hangt ook kleurig werk van Alida Pott (1888-1931): een vrouwelijk kunstenaar die door het huwelijk min of meer gefnuikt werd. Ze volgde kunstopleidingen in Den Haag en in Groningen, waar ze kunstenaar en tekenleraar werd. Ze sloot zich aan bij de Groninger kunstenaarskring De Ploeg: ze ontwierp het logo voor de groep. Ze maakte bijzondere aquarellen, zoals in de Kunsthal is te zien, en trouwde met collega-kunstenaar George Martens, ook Ploeg-lid. Zij zorgde als tekenleraar voor de inkomsten en de kinderen, hij werkte aan zijn kunst. Pott stierf jong, op haar 43ste, in 1931. Martens verborg daarna al haar werk, zodat zijn vrouw als kunstenaar onzichtbaar werd. Pas na Martens dood in 1979 kwam haar kunst weer tevoorschijn – en oogstte opnieuw succes.

Lees ook: Over rebelse ‘onvrouwelijke’ kunstenares Jeanne Bieruma Oosting