Necrologie

Introvert schepper van een eigen, mystiek universum

Cornelius Rogge (1932-2023) Beeldend kunstenaar Cornelius Rogge maakte stoere sculpturen van roestig ijzer of glimmend staal. Maar zijn robuuste werken gingen over vergankelijkheid.

Cornelius Rogge in zijn atelier met het werk ‘Zwart Gat’ (2017)
Cornelius Rogge in zijn atelier met het werk ‘Zwart Gat’ (2017) Foto Artie Groenendaal

Hij noemde zichzelf een ‘introverte kunstenaar’, omdat zijn beelden voortkwamen uit een innerlijke zoektocht. Cornelius Rogge maakte stoere beelden, van roestig ijzer of juist glimmend staal: hoge torens, piramides of strijdwagens die aan lang vervlogen culturen herinnerden. Maar die werken, hoe robuust ook, gingen tegelijk over de vergankelijkheid van het leven. „De dood is leven”, zei de kunstenaar, die vorige week dinsdag op 90-jarige leeftijd overleed. „Alles is vergankelijk, kwetsbaar en moet ontbonden worden om tot een nieuwe incarnatie over te kunnen gaan.”

Een van zijn bekendste werken is het Tentenproject (1975) in de beeldentuin van Museum Kröller-Müller. Een ‘introvert werk’, aldus Rogge, omdat de tenten geen van alle een ingang hebben en niemand dus weet wat ze herbergen. De zes tenten staan op een open plek in het bos, alsof er een nomadenvolk is neergestreken. Ze zijn vastgezet met talloze ijle scheerlijnen – als tekeningen in de lucht. Met de ogenschijnlijk alledaagse tenten wilde Rogge aandacht vragen voor het onverklaarbare. „In elke cultuur bestaan er mysterieuze zaken, waar de mens niet bij kan”, zei hij daarover. „Dat geheim is in de moderne cultuur verdwenen. Misschien heeft de kunst van nu de taak het geheim terug te brengen.”

Eigen universum

Rogge groeide op in de Amsterdamse Kinkerbuurt, als lid van een onconventioneel, reislustig en theosofisch gezin. Zijn vader had decennia doorgebracht in Indonesië als eigenaar van theeplantages. Hij was ook betrokken bij archeologische opgravingen.

Schatrijk keerde hij terug naar Nederland, maar door verkeerde beleggingen en de internationale beurskrach in de jaren twintig verloor hij zijn kapitaal.

Rogges moeder speelde een rol in de kunstgeschiedenis doordat ze in de jaren zestig een kamer van haar huis aan de Amsterdamse Willemsparkweg openstelde als galerie 207. Daar presenteerde de Nulgroep, met kunstenaars Armando en Jan Schoonhoven in 1961 hun Manifest tegen Niets. Toen de Nulgroep in 207 met de tentoonstelling Einde het einde van de kunst aankondigde, besloot de moeder van Rogge met haar galerie te stoppen.

Zelf studeerde Rogge in de jaren vijftig aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, tegenwoordig de Gerrit Rietveld Academie, en de Rijksakademie in Amsterdam. Net als de Nul-kunstenaars maakte hij vaak gebruik van vergankelijke materialen als riet en papier-maché, dat hij met zijn eigen mond tot pulp kauwde. Hoewel Rogge met tal van kunstenaars bevriend was, sloot hij zich nooit bij een specifieke groep of beweging aan. Altijd bleef hij met zijn mystieke werken een eigen koers varen.

In de jaren zeventig betrok Rogge met zijn vrouw Emmy een oude boerderij in het Gelderse dorp Hall, vlakbij Eerbeek. Daar creëerde hij een eigen universum in zijn tuin, die vol stond met zijn sculpturen en oude zuilen. „De Indiana Jones van de Nederlandse kunstwereld”, werd hij ooit door kunstcriticus Wouter Welling genoemd: „Onverschrokken afdalend in het onbewuste, op zoek naar verborgen schatten.”