Gehavende zeespin repareert met gemak het achterlijf

Biologie Zeespinnen blijken niet alleen verloren ledematen te kunnen regenereren, maar zo nodig ook hun anus en geslachtsklieren.

Zeespinnen op een mosselschelp.
Zeespinnen op een mosselschelp. Foto Georg Brenneis

Jonge zeespinnen kunnen bijna elk gewenst deel van hun achterlijf regenereren, inclusief de geslachtsorganen en de anus. Dat schrijven Duitse zoölogen in PNAS, op basis van onderzoek aan het michelinmannetje (Pycnogonum litorale), een geleedpotige die op de bodem van de noordelijke Atlantische Oceaan leeft. De ontdekking is opmerkelijk, omdat tot nu toe werd gedacht dat bij diersoorten die aan vervelling doen – zoals spinnen – uitsluitend sprake is van regeneratie van ledematen. Nu blijkt dus dat ook een deel van de romp opnieuw kan aangroeien.

Wereldwijd komen er ruim 1.100 soorten zeespinnen voor. Net als op land levende spinnen hebben ze over het algemeen acht poten, al komen er ook soorten voor met tien of twaalf poten. Net als spinnen en schorpioenen behoren ze tot de groep van de gifkaakdragers. Vanwege hun rigide exoskelet moeten ze tijdens de groei regelmatig vervellen. Dat maakt ze kwetsbare prooien en dus kan het voor geleedpotigen voordelig zijn om een poot op te offeren door zelfamputatie, om op die manier aan een vijand te ontkomen. Ook als er tijdens de vervelling complicaties optreden kan er probleemloos een ledemaat sneuvelen. Dat groeit later dan weer aan.

Hoewel er over die regeneratie van poten bij zeespinnen al een en ander bekend was, wisten biologen niet hoe dat zat met de rest van het lichaam. En dus besloten de Duitse zoölogen om experimenteel het achterlijf van individuen van Pycnogonum litorale te verwijderen. Zijn Nederlandse naam dankt de zeespinnensoort aan zijn uiterlijk: een robuust wit lijf met acht stevige, witte poten.

Van drieëntwintig michelinmannetjes, in verschillende ontwikkelingsstadia, werd het achterlijf gedeeltelijk of vrijwel geheel verwijderd. Allemaal overleefden ze de amputatie in eerste instantie, al kwamen er twee later alsnog te overlijden en raakte er eentje na vervelling kwijt. Zestien van de twintig overgebleven zeespinnen waren jongvolwassen, en bij hen vond in 87,5 procent van de gevallen volledige regeneratie plaats – inclusief spieren, geslachtsdelen en anus. De dieren werden tot een jaar na amputatie nog geobserveerd, maar bij de volwassenen groeide het geamputeerde deel niet meer aan.

Zeespinnen scheidden zich al vroeg in de evolutie af van andere geleedpotigen. Het zou zo kunnen zijn dat de gemeenschappelijke voorouder van de gehele groep ook al in staat was tot deze verregaande vorm van regeneratie, schrijven de onderzoekers. De vraag is nu of andere vervellende soorten ook hun achterlijf kunnen regenereren na amputatie.