Fair pay kan een einde maken aan overproductie in de cultuursector

Cultuur en beleid Hoog op de agenda van de staatssecretaris cultuur: herziening van het subsidiestelsel. In haar boek adviseert Renée Steenbergen het zwaartepunt te leggen bij makers ten koste van instellingen.

MBO-studenten praten met minister Jet Bussemaker en directeur Taco Dibbits in het Rijksmuseum.
MBO-studenten praten met minister Jet Bussemaker en directeur Taco Dibbits in het Rijksmuseum. Foto Robin Utrecht

Kunstenaars der lage landen, verenigt u! Dat is kortweg de oproep die Renée Steenbergen, onderzoeksjournalist en adviseur op het gebied van mecenaat in de kunsten, doet in haar boek De Kunst van Anders, dat vorige week uitkwam. Makers en uitvoerders komen nu onvoldoende aan bod in het bureaucratische Nederlandse kunstbeleid, concludeert Steenbergen na een uitgebreide rondgang langs vijftig betrokkenen. En het stelsel kan alleen veranderen als makers en uitvoerders zich verenigen en solidair zijn aan elkaar, schrijft Steenbergen.

Oproepen om het cultuurstelsel te veranderen zijn niet uitzonderlijk. De Raad voor Cultuur zelf deed het in maart vorig jaar met het advies Beweging in het bestel. In oktober deed Melle Daamen in het boek Grazen boven het kunstgras de oproep de grondslagen van het beleid ter discussie te stellen om een eind te maken aan overproductie, bureaucratie en middelmaat. Herziening van het bestel staat ook op de agenda van de staatssecretaris voor cultuur, Gunay Uslu. Zij zei eerder deze maand tegen NRC: „We zijn bezig met de herziening van de basisinfrastructuur [voor rijkssubsidies]: moeten we vasthouden aan alle disciplines, moeten we meer in cross-overs gaan denken, hoe betrekken we jongeren erbij?” In dit eerste kwartaal zal ze de Raad voor Cultuur opdracht geven hierover advies uit te brengen.

Volgens Steenbergen is oplappen van het bestaande bestel niet voldoende. De coronacrisis heeft gewerkt als een vergrootglas op problemen in de sector. Het is volgens haar zonneklaar geworden dat het beleid vooral is gericht op rendement. Dat leidt tot onderbetaling van kunstenaars en makers, met alle problemen van dien. Het gaat ook ten koste van kwaliteit van het aanbod, en leidt tot overproductie. De instellingen zijn centraal komen te staan, in plaats van de makers van de kunst, schrijft ze in het informatieve en vlot geschreven boek.

Toezichtsysteem met burgers

Omdat door verschraling van het kunstonderwijs de culturele geletterdheid is teruggelopen, lopen de bezoekersaantallen terug, vooral voor complexe en klassieke kunst – terwijl daar het leeuwendeel van de subsidie heen gaat.

Steenbergen merkt op, net als eerder Melle Daamen, dat het systeem te bureaucratisch is geworden. Dat ziet ze niet snel veranderen: bestuurders en toezichthouders zijn niet geneigd hun eigen rol te verkleinen. Steenbergen bepleit een soort Brits trustee-model, met trustees die een afspiegeling zijn van de bevolking (het is immers hun belastinggeld) aangevuld met deskundigen en ambtenaren.

Het is een van een reeks suggesties die Steenbergen doet. De belangrijkste is fair pay, afgedwongen door kunstenaars en makers die samen optrekken. Daarmee komt vanzelf een eind aan de overproductie, en is er meer kans op echte vernieuwing, die mogelijk ook een jonger publiek aantrekt.

Lees ook dit opiniestuk: Kunstenaars en freelancers, verenig u!