Australische mierenegels koelen zichzelf met hun snottebellen

Biologie Australische mierenegels kunnen slecht tegen hitte. Toch weten ze zich staande te houden in een verzengend klimaat.

Warmtebeeld-opname van de Australische mierenegel.
Warmtebeeld-opname van de Australische mierenegel. Foto Christine Cooper/Curtin University

Bij stijgende temperaturen houden Australische mierenegels zichzelf koel door snotachtige bellen uit hun neus te blazen. In Biology Letterslaten twee biologen uit Perth aan de hand van infraroodbeelden zien hoe de lichaamstemperatuur van de dieren snel kan oplopen doordat ze een isolerende stekellaag hebben en niet hijgen of zweten. Afkoelen lukt alleen door hun buik tegen een koude ondergrond aan te drukken, door hun stekels recht overeind te zetten of door de productie van slijmbellen.

Mierenegels vormen een familie van eierleggende zoogdieren die voorkomen in Australië, Tasmanië en Nieuw-Guinea. Net als vogelbekdieren behoren ze tot de cloacadieren, en leggen ze eieren met een leerachtige structuur. Naast de gewone mierenegel omvat de familie ook nog drie soorten vachtegels, met een vachtje tussen hun stekels. De soorten zijn niet verwant aan echte egels, maar zien er met hun stekelige vacht wel enigszins hetzelfde uit. Ze hebben een lange, dunne snuit waarmee ze hoofdzakelijk mieren en termieten eten.

Niet hijgen of zweten

De pech van mierenegels is dat ze in een land wonen met vaak hete zomers, maar relatief slecht tegen hitte kunnen: een luchttemperatuur van 35 graden Celsius is soms al dodelijk. Ze kunnen niet hijgen of zweten om warmte kwijt te raken. Ook zichzelf koel likken – zoals kangoeroes bijvoorbeeld doen met hun voorpoten, om de dicht onder de huid gelegen bloedvaten te laten afkoelen – lukt mierenegels niet. Over zichzelf heen plassen ter verkoeling doen ze evenmin.

Toch is de mierenegel niet zo hulpeloos bij hittestress als tot nu toe werd gedacht, schrijven de twee onderzoekers. Ze bestudeerden de gewone mierenegel (Tachyglossus aculeatus) en ontdekten dat individuen van de soort wel degelijk kunnen overleven bij temperaturen tot 40 graden Celsius, door plekken op te zoeken waar ze hun buik en hun poten tegen een koude, vochtige ondergrond kunnen drukken en zo afkoelen. Ook kunnen ze hun stekels ‘open zetten’ door ze omhoog te richten in plaats van ze vlak tegen hun lijf te houden, en daarmee overtollige warmte verliezen.

Een derde manier om warmte kwijt te raken is via het puntje van hun snuit. Al langer was bekend dat mierenegels ‘snottebellen’ kunnen blazen: slijmerige bellen waarvan gedacht werd dat ze er hun neus mee reinigden. Maar nu laten de Australische biologen op de infraroodbeelden zien dat die vochtige bellen juist ook bij hoge luchttemperaturen worden geblazen, en voor extra afkoeling zorgen. In die zin is de lichaamsvochtproductie wel te vergelijken met het voorpootlikken door kangoeroes, of met het ‘afkoelend urineren’ dat ooievaars, roodkopgieren en zeehonden soms doen bij hittestress.