Recensie

Recensie Beeldende kunst

Kunstenaar Kees van Dongen schilderde rauw, wild, gracieus en met milde blik

Expositie In het Singer Museum is nu te zien hoe Kees van Dongen rond 1900 uit Rotterdam naar Parijs vertrok en het daar maakte tussen grote namen als Picasso en Matisse, met wie hij in één adem werd genoemd.

Kees van Dongen, Fernande Olivier (ca. 1907-1908) en De vinger aan de wang (1910).
Kees van Dongen, Fernande Olivier (ca. 1907-1908) en De vinger aan de wang (1910). Foto’s particuliere collectie en Museum Boijmans

Wat een kop! Sla even zijn vroege werk over en loop snel door naar de tweede zaal van de expositie Kees van Dongen, de weg naar succes en begin met Zelfportret (1909). Hij was toen 32 jaar oud en schilderde zichzelf rood en zijn in een tiental brede streken geverfde lippen nog roder. Krachtige donkere ogen nemen de wereld zelfbewust op. De jonge man, die zo’n tien jaar eerder vanuit het Rotterdamse voorstadje Delfshaven naar Parijs vertrok, is een van de belangrijke schilders van zijn tijd geworden.

Kees van Dongen schilderde in Montmartre in ateliergebouw Le Bateau-Lavoir. Picasso had dat voor hem geregeld. Diens vriendin Fernande Olivier stond model voor hem. Van Dongen was bevriend met Georges Braque, exposeerde met de avant-garde en genoot van het Parijse (nacht)leven. Hij was een van de eersten die bij fel elektrisch licht portretten schilderde (de stroom kwam van theater Folies Bergère). Tijdens het uitgaan schetste hij danseressen en andere dames, maakte daar later schilderijen van en ging het platteland op om landschappen te maken.

Van Dongen schilderde in een post-impressionistische stijl, beïnvloed door de analytische blik van de kubisten en het felle kleurgebruik van de fauvisten. Zijn Parijse landschappen vielen op bij handelaren en kunstliefhebbers. Net als zijn taferelen uit cafés en danszalen. Ook al voor hij naar Parijs kwam, had Van Dongen een soort van journalistiek oog voor situaties en publiceerde regelmatig tekeningen in kranten en tijdschriften.

Dat kijktalent blijkt uit zijn schilderijen van vrouwen. Zoals in het in 1902-1903 met veel grijzen geschilderde doek Vrouw die haar onderrok vastmaakt. Daarin heeft hij overtuigend weergegeven hoe zij iets gebogen met één been op een lage tafel staat, terwijl ze achter haar rug met moeite iets vastknoopt. Vijf jaar later schildert hij de ene na de andere vrouw: brede halen, stevige kleuren, harde contouren, grote ogen en boeiende houdingen.

Kees van Dongen, Fauvistisch zelfportret (1909). Foto Particuliere collectie

Randje kitsch

Na reizen naar Spanje en Marokko voegt hij in de jaren tien van de twintigste eeuw decoratieve elementen toe aan zijn nog steeds vrij woeste stijl. Zie bijvoorbeeld de kleurige bloemmotieven op de mantel van de naakte vrouw op Tableau (1913) en op de jurk van de Spaanse vrouw op De vinger aan de wang (1910), een topstuk uit museum Boijmans. Daar balanceert Van Dongen sierlijk op het randje van kitsch, want met de grote ogen en gevouwen waaier doet het heel even denken aan zo’n schilderijtje dat je in iedere kringloopwinkel kunt scoren.

Van Dongen is inmiddels een midden-dertiger en een geslaagd kunstenaar en een bemiddeld mens. Hij is de wrakke ateliers van Montmartre ontgroeid en woont in steeds betere Parijse wijken. Hij organiseert feesten – gemaskerde bals, dansen op jazzmuziek – voor zijn steeds uitgebreidere kennissenkring (ook Mondriaan). Daar komen niet alleen artiesten, maar ook bankiers, directeuren, politici en smaakmakers als de couturier Paul Poiret en de dichter gravin Anna de Noailles. Op foto’s van feesten in zijn atelier hangen zijn favoriete schilderijen dicht bij elkaar aan de muur, zoals het enorme steigerende Bonte paard (1895-1907) en de bokser Jack Johnson (1914) naakt ten voeten uit met wandelstok en hoge hoed in de hand.

Kees van Dongen had de boeken in kunnen gaan als de Nederlandse avant-gardist die afhaakte bij het kubisme maar die in één adem genoemd moet worden met de andere belangrijke kunstenaars van begin twintigste eeuw. Er is zelfs een tijd geweest dat er sprake was van de grote drie: Picasso, Matisse, Van Dongen. Maar hij koos een eigen weg, ergens tussen Picasso en Matisse in, en zonder hun onvermoeibare vernieuwingslust.

Kees van Dongen, Anna de Noailles (1931).
Foto Stedelijk Museum
Kees van Dongen, Madame Jasmey (1920).
Foto Centre Pompidou

Levensgrote vrouwen

De uitgebreide expositie in Singer Laren – 70 schilderijen en verder tekeningen, grafisch werk en keramiek – sluit af met een zaaltje met zijn twee mooiste vrouwenportretten: Anna de Noailles (1931) uit het Stedelijk Museum en Madame Jasmey (1920) van Centre Pompidou, beide levensgroot. Eind jaren twintig is de weg naar succes voltooid en is Kees van Dongen geen avant-gardeschilder meer, maar de elegantie en levensvreugd van deze portretten is onovertroffen.

Van dit soort schilderijen zal hij er nog heel veel maken, en dat heeft zijn naam in kunstkringen geen goed gedaan (‘society-schilder’). Dat is de reden dat niemand meer denkt aan Kees van Dongen als een van de grote drie. Vaak niet eens als een van de grote Nederlandse schilders. Zelf zag hij dat anders: als Rembrandt nu in Parijs had geleefd, schreef Van Dongen in 1927, als hij de vrouwen en de auto’s had gezien, „hij zou zijn schaduwen, zijn halflicht hebben vermeden, hij zou zich van de bijbel niets hebben aangetrokken”. Conclusie: Rembrandt zou geschilderd hebben als Van Dongen.

De portetten van Anna de Noailles en Jasmey lijken vanaf vijf meter op glossy foto’s, waarin ze op hun mooist poseren met hun sieraden en grote ogen (hij maakte ze groter dan hun mond). Sta je vlak voor het doek, dan zie je schitterend puur en grof schilderwerk. Het parelsnoer van de gravin, dat ze rond haar zwarte handschoen heeft gewikkeld, is close-up een reeks vette dotten verf, haar lange jurk bestaat uit rauwe verfstroken en de bank is op deze afstand niet meer dan een haastige suggestie. De roodgelakte nagels van Jasmey zijn van dichtbij als een gevaarlijke woeste klauw.

Rauw, wild, gracieus en toch met milde blik voordelig vastgelegd – geen wonder dat de beau monde tot Van Dongens dood in 1968 in de rij stond voor een portret met grote ogen van Kees uit Delfshaven.

Kees van Dongen, Jack Johnson, ochtendwandeling (1914, olieverf op doek, 129 x 81 cm)
Foto Palais Princier, Monaco
Kees van Dongen, Tableau (1913, olieverf op doek, 195,5 x 130,5 cm)

Foto Centre Pompidou
Kees van Dongen, Vrouw die haar onderrok vastmaakt (ca. 1902-1903, olieverf op doek, 55 x 46 cm)
Foto JK Art Foundation
Kees van Dongen, Het bonte paard (1895-1907).
Foto Nouveau Musée National de Monaco
Beeldende kunst Bekijk een overzicht van onze recensies over beeldende kunst