Recensie

Recensie Boeken

Wat de musical weglaat: ‘Les Misérables’ eindelijk helemaal vertaald

Les Misérables Voor het eerst is er een volledige Nederlandse vertaling van Victor Hugo’s meesterwerk. Ondermeer door de talloze lange uitweidingen blijkt het een nog bijzonderder boek te zijn dan je altijd al dacht. Het hele drama van de negentiende eeuw is erin vervat.

‘Cosette’ door Emile-Antoine Bayard (1837-1891). Fusain. Paris, Maison de Victor Hugo.
‘Cosette’ door Emile-Antoine Bayard (1837-1891).

Fusain. Paris, Maison de Victor Hugo.

Iedereen kent Les Misérables. Van de musical, van de film, van de tv-serie. Zelf las ik het romanepos van Victor Hugo (1802-1885) in mijn jonge jaren als Illustrated Classic – het hele verhaal samengevat in een strip van nog geen vijftig bladzijden. Het staat nog altijd in mijn geheugen gegrift. De avonturen van de goede galeiboef Jean Valjean, die na de diefstal van een brood om de uitgehongerde kinderen van zijn zuster te voeden jarenlang achter de tralies verdwijnt; die na zijn vrijlating opnieuw een diefstal pleegt, nu min of meer per ongeluk, en die daardoor levenslang boven het hoofd hangt; die als ‘Monsieur Madeleine’ een heel stadje welvarend maakt; die wordt opgejaagd door de meedogenloze dienstklopper Javert; die Cosette, het arme dochtertje van de treurige Fantine, redt uit de klauwen van het gewetenloze echtpaar Thénardier; die met nog altijd Javert achter zich aan onderduikt in een Parijs’ klooster en Cosette laat opgroeien tot een beeldschoon meisje; die tijdens revolutionaire straatgevechten haar geliefde Marius het leven redt, evenals zijn kwelgeest Javert; en die, op zijn sterfbed herenigd met Cosette en Marius, eindelijk het – eeuwige geluk – deelachtig wordt.

Veel minder bekend dan deze personages en hun belevenissen is de oorspronkelijke roman in vijf ‘delen’, opgeknipt in talloze ‘boeken’ en ‘hoofdstukken’. De musical, de film, de tv-serie, de strip baseren zich op slechts een fractie van de tekst. Ook in de meeste Nederlandse vertalingen van Les Misérables is twee derde gewoon weggelaten. Het bekende, overbekende verhaal kan dat hebben, maar daardoor lezen, zien en horen we wel iets anders dan Hugo heeft geschreven en in 1862 gepubliceerd. De schrijver en zijn intenties zijn goeddeels verdwenen, terwijl ze volop aanwezig zijn in het origineel. Zou het niet de moeite waard zijn om ook dáárvan kennis te nemen? Hoe dierbaar de bij nader inzien oerlelijke Illustrated Classic-versie mij ook is (ik moet de strip honderden keren hebben gelezen), het antwoord hierop luidt volmondig: ja. Sinds kort kan het ook in het Nederlands. Een nieuwe, uitstekende en voor het eerst complete vertaling is nu verschenen van de hand van Tatjana Daan, voorzien van verklarende voetnoten en een nuttig overzicht van de belangrijkste historische gebeurtenissen in Frankrijk tussen 1789 en 1871.

Uitweidingen of niet

Wat is er in die oude vertalingen allemaal weggelaten? Het waren niet alleen vertalingen maar ook bewerkingen, dus bijna alles is ingekort. Compleet verdwenen zijn doorgaans de diverse uitweidingen, die vaak tientallen bladzijden in beslag nemen en op het eerste gezicht nauwelijks iets aan het verhaal lijken toe te voegen. Zo zag Hugo het zelf niet. ‘Zolang het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, is er geen sprake van een uitweiding’, schrijft hij in een van die uitweidingen. En het is waar, ze hebben beslist met het onderwerp van Les Misérables te maken. Beter gezegd, wat dat onderwerp is, wordt pas in die uitweidingen ten volle duidelijk. Het tweede deel begint bijvoorbeeld met een uitgebreid relaas over de slag bij Waterloo. Hugo schreef het vlak vóór de voltooiing van zijn roman, nadat hij op doktersadvies het Kanaaleiland Guernsey had verlaten (waar hij als de belangrijkste opponent van Napoleon III in ballingschap verbleef) en naar Brussel was gereisd. Daar bezocht hij de slagvelden van Waterloo en raakte diep onder de indruk. Maar wat heeft Waterloo met het verhaal over Jean Valjean te maken? Ogenschijnlijk niets, alleen tegen het eind zien we de schurk Thénardier als een aasgier tussen de lijken sluipen, op zoek naar buit, waarbij hij per abuis het leven redt van de vader van Marius.

Bij nader inzien heeft Waterloo alles te maken met de rest van de roman. Het is geen toeval dat Jean Valjeans jaren in het ‘bagno’ (gevangenis voor dwangarbeiders) samenvallen met de opkomst, glorietijd en ondergang van Napoleon. Hij belichaamt in zekere zin de toekomst na Napoleon. Een toekomst die volgens Hugo niet meer zal worden bepaald door militair geweld, maar door ideeën en Vooruitgang: ‘De vechtjassen zijn klaar, de beurt is aan de denkers’. In Duitsland heeft men naast Blücher ook Goethe, in Engeland naast Wellington ook Byron, en in Frankrijk naast Napoleon ook… Victor Hugo, al gaat de onbescheidenheid net niet zo ver dat hij zijn eigen naam daadwerkelijk noemt. Als visionaire dichters verkondigen zij de toekomst en duiden de tekenen. De ware overwinnaar van Waterloo is daarom ‘God’, verklaart Hugo, die heeft beslist dat de tijd van Napoleon voorbij was.

Merde

De menselijke overwinnaar blijkt de commandant van de keizerlijke garde te zijn, die met een hartgrondig ‘Merde’ weigerde zich over te geven en liever samen met zijn mannen ten onder ging.

Critici maakten zich destijds druk over dat ‘Merde’ (stront) – een woord dat volgens hen in een literaire tekst niet thuishoorde. Volgens Hugo was het ‘het mooiste woord dat een Fransman misschien ooit heeft uitgesproken’. Dat verwijst niet alleen naar de heroïsche moed van Napoleons soldaten, maar ook naar Hugo’s streven de literatuur rauwer en levensechter te maken. In een gedicht (‘Reponse à une accusation’ in Les contemplations, 1856) schreef hij de Franse taal ‘een rode muts’ te hebben opgezet, een verwijzing naar de Franse Revolutie: als romanticus brak hij ook in dit opzicht met de ‘klassieke’ literaire zeden van het Ancien Régime. In een andere uitweiding houdt hij een schitterend pleidooi voor het argot, de ‘taal van de misère’ en tegelijk het volkse idioom van vitaliteit en rebellie, in Les Misérables belichaamd door de onvergetelijke Parijse straatjongen Gavroche (kind van de Thénardiers en paradoxalerwijs gered van het verderf door het gebrek aan liefde bij zijn ouders) die zal sneuvelen op de barricade. De ondergang van Napoleons garde wordt zo heimelijk verbonden met het gewapende verzet dat soms toch nog nodig kon zijn om het visioen van Vooruitgang en Rechtvaardigheid te verwezenlijken, hoewel de auteur naar eigen zeggen de voorkeur geeft aan een ‘pacifistische oplossing’. Op deze manier hangt alles met alles samen in Hugo’s magnum opus. Je moet er alleen oog voor (willen) hebben.

Boekomslag van het vierde deel van Les Misérables Illustratie Culture Club/Getty Images

In een nooit gebruikt en pas postuum als ‘Philosophie’ gepubliceerd voorwoord noemt Hugo zijn roman ‘een religieus boek’. Waarom? Omdat alleen zijn geloof in ‘God’, een woord dat alles dekt wat de mens in de ‘oneindigheid’ van het universum ontgaat en dus moet ‘geloven’, hem ingeeft dat het met de wereld goed zal komen. Les Misérables begint niet toevallig met een heel ‘boek’ over de vrome bisschop van Digne, die bij de door zijn gevangenschap ‘verharde’ Jean Valjean (‘galeien maken de galeiboef’) het zaadje van de deugd plant, dat in de rest van de roman door gewetensstrijd en zelfopoffering zal ontkiemen. In de confrontatie met een voormalig lid van de revolutionaire Conventie, waarbij de bisschop diens ‘zegen’ vraagt, wordt duidelijk dat Hugo’s religie alleen niet die is van de christelijke orthodoxie; hij hield er een eigen, zeer romantische pantheïstische variant op na, waarin ook alles met alles samenhangt en waarvan hij de ‘democratie’ met zijn gelijkheid en broederschap als de passende politieke expressie beschouwde. In weer een andere uitweiding, over het kloosterleven ditmaal, schrijft Hugo veelzeggend: ‘Wij zijn voor de religie en tegen de religies’. Die laatste bevatten te veel bijgeloof, dogmatiek en fanatisme, terwijl Hugo in zíjn religie juist de vrijheid (onmisbaar voor alle ware moraliteit) benadrukt.

De vrijheid maakt ook het verschil uit tussen het bonapartisme, dat Marius gaat aanhangen nadat hij meer te weten is gekomen over zijn als oud-officier van Napoleon verguisde vader, en het republikeinse idealisme van zijn Parijse vrienden die later in de roman, net als de kleine Gavroche, zullen sneuvelen op de barricade. De ontwikkeling van Marius is die van Hugo zelf, zoon van een Napoleontische generaal en een moeder die na de executie van haar anti-bonapartistische minnaar door Napoleon een warme sympathie voor de Bourbons had opgevat. Met als gevolg dat de jonge Hugo, die na de scheiding van zijn ouders de zijde van mama koos, in 1817 debuteerde met gedichten ten gunste van de Restauratie en de teruggekeerde Bourbon-monarchie. Pas na zijn moeders dood volgden de verzoening met papa en de herwaardering van Napoleon, vreemd genoeg in combinatie met een steeds liberalere instelling die zich tenslotte zou ontwikkelen tot een eigen liberaal soort ‘socialisme’. Ook deze persoonlijke Werdegang heeft Hugo in zijn boek gestopt.

All you need is love

Door al deze motieven, met elkaar vervlochten maar ook steeds voorzien van eigen accenten, is het alsnog een complexe roman geworden, een totaalepos dat het hele drama van de negentiende eeuw probeert te verbeelden. En dat terwijl het centrale verhaal eigenlijk zo eenvoudig is: een pijnlijke, emotionerende om niet te zeggen soms ronduit sentimentele strijd tussen goed en kwaad, recht en onrecht, licht en donker. Met een boodschap die zich, afgezien van de zeer christelijke nadruk op het louterende lijden, laat samenvatten in de kreet: All you need is love. Geen wonder dat het als ‘musical for the millions’ zoveel succes heeft. Zelfs de simpelste ziel kan het volgen. Maar dat komt ook doordat Hugo erin is geslaagd van zijn personages krachtige archetypen te maken, aansprekende incarnaties van de deugden en ondeugden die zij symboliseren, vergelijkbaar met de personages van de Griekse tragedies, ook al verkondigen die een andere, heel wat minder optimistische boodschap.

Daarbij raken degenen die de kracht van de liefde het hevigst ondervinden de lezer het meest, zoals de aandoenlijke Éponine, verdorven dochter van de verdorven Thénardiers, die haar betere zelf ontdekt en zich opoffert nadat zij ‘een beetje verliefd’ is geworden op Marius. Maar het gaat ook op voor de onbarmhartige politie-inspecteur Javert, van oorsprong eveneens een ‘miserabele’, geboren in de gevangenis, maar een miserabele die heeft gekozen voor het gezag en voor de wet. Wanneer hij, getroffen door de goedheid van Jean Valjean die hem het leven redt, ontdekt dat daarboven ook nog iets anders staat, namelijk het persoonlijke geweten, kan hij dit inzicht (dat hem voor het eerst dwingt om ‘na te denken’) niet verdragen en pleegt zelfmoord. Het maakt hem tot misschien wel het meest intrigerende personage van de roman.

Omdat het centrale verhaal zo sterk uitpakt, is Les Misérables een roman die ook in drastisch verkorte versie moeiteloos overeind blijft. In feite zijn zo uit dezelfde tekst twee romans ontstaan: de oorspronkelijke complete versie en de verkorte, geconcentreerde versie. Allebei - bijna – even goed, maar grondig van elkaar verschillend. De verkorte versie met nog altijd zo’n vijfhonderd bladzijden wijkt, op wat details na, nauwelijks af van de Illustrated Classic die ik als jongen heb verslonden; de oorspronkelijke versie laat daar een stevige visionaire wind doorheen waaien en geeft het verhaal een ruim bemeten historische, religieuze en zelfs utopische inbedding. Dat maakt minstens zoveel en uiteindelijk nog veel meer indruk, terwijl ik de roman toch ook nu weer heb verslonden, als je dat tenminste zeggen kunt van een lectuur die – onvermijdelijk gezien de omvang – heel wat meer tijd in beslag nam.