Recensie

Recensie Boeken

In de historische romans van twee Noorse schrijvers draait alles om het zoeken naar liefde en geluk

Noorse literatuur In de nieuwe romans van Roy Jacobsen en Edvard Hoem leggen de hoofdpersonen een odyssee af op zoek naar liefde en geluk. De een heeft meer succes dan de ander.

Foto Getty Images

De Scandinavische literatuur speelt zich vaak af in beklemmende dorpen, waaruit niemand kan ontsnappen. Ook een eiland met zijn hechte gemeenschap verlaten is bijna onmogelijk. Toch gaat de jonge vrouw Ingrid Barrøy weg van het naar haar familie vernoemde fictieve eiland aan de Noorse westkust. Het is 1946, zomer. De oorlog is beëindigd, maar in het hart van Ingrid woedt die nog door.

Met Ogen van de Rigel voegt de Noor Roy Jacobsen (1954) een nieuw element toe aan zijn Barrøy-romanreeks, waarvan eerder De onzichtbaren (2020) en Witte zee (2021) verschenen. In het derde deel reist Ingrid de Russische krijgsgevangene Alexander achterna, die na het zinken van het Duitse oorlogsschip Rigel aanspoelde op haar eiland. Ze krijgen een dochter, Kaja, zoals in Witte zee staat beschreven. Maar op een dag is haar geliefde verdwenen, hij is op de vlucht voor achtergebleven Duitsers en Noorse collaborateurs. Ingrid besluit hem te volgen, te voet, het kind in een draagdoek tegen zich aan gebonden, dwars door Noorwegen dat de littekens van de oorlog nog draagt. Kaja’s donkere ogen overtuigen haar ervan Alexander te moeten vinden: het zijn zíjn ogen.

Hoewel de titel De vioolbouwer anders doet vermoeden, is ook deze roman een zoektocht. De Noor Evard Hoem (1949) beschrijft in deze familiekroniek de ontberingen van een van zijn verre voorvaderen Lars Hoem (1782-1842) om uiteindelijk zijn ware roeping te vinden, die van vioolbouwer. Evenals Ingrid groeit Lars op aan de Noorse westkust, op een boerderij in Romsdal. Als kind droomt hij ervan de vallei te verlaten en de wijde wereld van de zeevaart te verkennen, ook al voelt hij zich nog zo innig verbonden met het landschap. Prachtig beschrijft Hoem hoe het eruitziet: ‘De wind kon zowel in de winter als in de zomer ijskoud zijn, maar het landschap had zulke fijn gestemde lijnen dat het bij mooi weer en op zonnige, mistige dagen iets droomachtigs kreeg.’

Lars’ vrijheidsverlangen duurt kort. Hij scheept zich in als matroos op de Dannebrog, een oorlogsschip dat uitvaart tegen de Engelsen tijdens de Noorse Engelandoorlogen om een verdedigingslinie te vormen. In die slepende strijd van het begin van de negentiende eeuw monstert hij nog op andere schepen aan, het is een schitterend beschreven nautische zwerftocht. Uiteindelijk wordt zijn schip op 4 november 1809 door de Engelsen geënterd en de bemanning opgepakt; vervolgens verblijft hij vijf jaar op diverse gevangenisschepen in de baai van Chatham. Op een van die schepen leert hij de Fransman Monsieur Jean kennen die zich wijdt aan het bouwen van violen. Van hem leert hij het vak. Later, als hij als volwassene weerkeert van al zijn zwerftochten, ontwikkelt hij zich tot een van de bekendste vioolbouwers van West-Noorwegen.

Het is schitterend hoe beide auteurs hun hoofdpersonage een odyssee laten maken, in beide gevallen gebaseerd op archiefstukken en familieverhalen. Ingrids indrukwekkende queeste is er vooral een langs mensen die Alexander mogelijk hebben gekend, maar haar wantrouwen. Is zij een spionne? Is zij pro-Russisch terwijl Noorwegen allang anti-Russisch is? Uiteindelijk brengt haar loodzware reis haar niets verder, al bereikt ze via nauwelijks begaanbare paden Zweden. Het enige waar ze achterkomt is dat Alexander door Stalin als landverrader is bestempeld en vervoerd naar de goelag in Siberië. Daar lopen alle sporen dood.

Hoem vestigt zich met vrouw Gunhild en gezin als vioolbouwer maar tot rust komt hij niet, ook al leeft hij, zoals Gundhild het noemt, ‘bij de poort van het prachtige muziekrijk’. Lars blijft zijn zeemansdromen koesteren en Ingrid blijft hopen haar Alexander te vinden, de vader van haar kind - maar vergeefs.