Recensie

Recensie Boeken

De ‘Houellebecq van de Lage Landen’ schrijft over de klimaatramp

Yves Petry Als een Houellebecq van de Lage Landen schrijft hij romans over de toestand van moderne samenleving. Dit keer richt hij zich woordspeels op de klimaatramp.

‘Waldschmerz’ wordt het genoemd, in de roman Overal zit mens van Yves Petry: Weltschmerz die zich specifiek richt op het woud, existentiële wanhoop over de aftakeling van de bossen ‘en ons collectieve onvermogen die trend te keren’. Met fatale gevolgen: boswachter Kasper Kind hoort over de dood van een collega die het niet meer zag zitten. Een teken aan de wand, die een oreerdrift in Kasper aanwakkert – meteen vanaf het begin van de roman.

Eindtijd-oreren is het, wat Kasper fraai formulerend begint te doen, over de sublieme pracht die de onaangetaste natuur biedt, maar die al volledig verleden tijd is. De mensheid heeft zijn stempel op het lot van de wereld gedrukt, ‘alles is bezoedeld’, het is klaar: ‘Geen stukje mos, geen druppel uit de zee, geen staaltje van de bodem of de eeuwige sneeuw zonder dat het miljoenen moleculen mens bevat.’ Creatief woordspeels is het ook. We zijn ‘doembewust’ aanbeland in het ‘misantropoceen’: ‘De wijsheid van eeuwen is voorbijgegaan en wat rest is de eigenwijsheid van het heden.’ De toekomst is hopeloos: ‘Terwijl het verleden nagenoeg gezichtloos is geworden en het heden een teveel aan vluchtige gezichten laat zien, heeft de toekomst duidelijk een smoel, waarvan de trekken met de dag doordringender en boosaardiger worden.’

Onderstrepenswaardige zinnen buitelen over elkaar in de roman. Enerzijds heb je daardoor de indruk in de eerste plaats een scherpe opiniemaker te lezen, anderzijds: als doem zo klinkend opgediend wordt, doe me dan nog maar een portie doem. (Afgewisseld met amuses van antisociale misantropie: ‘Familie houdt je klein. Het is meer iets voor kamerplanten.’)

In zijn maatschappelijke zwartgalligheid toont Yves Petry (1967) zich al een schrijverschap lang een soort Houellebecq van de Lage Landen, erudiet en sprankelend, sarrend, slim. Net als de Franse nihilist-annex-romanticus schrijft Petry romans die de uitwerkingen zijn van ideeën, een wereldbeeld, en handelen over de toestand van moderne mens en samenleving. Dat die toestand ook nu weer getekend wordt door morele faillissementen, mag geen verrassing heten, na bijvoorbeeld het gruwelijke kannibalisme in De maagd Marino (2010), de roman waarvoor Petry de Libris Literatuur Prijs ontving, en de infantiliteit van de westerse mens en het simplisme van het vooruitgangsdenken in De geesten (2019), zijn vorige roman.

Lees ook de recensie van De geesten: De westerse mens is zo onvolwassen

Het goede nieuws over de nieuwe roman is dat Petry een aantal denkstappen verder zet met die onderwerpen – simplisme en wezenloos vooruitgangsdenken komen ook weer langs in Overal zit mens, net als een gruwelijke gevolgtrekking. Doemboeken kunnen gauw stomvervelende echokamers van gejeremieer worden, ondergangsdenken op zich is een cliché. Maar door de manier waarop Petry het doembewustzijn opvoert en doorvoert, tot een coherent betoog, een samenhangende ideologie, maakt het tot een stevige ideeënroman.

Klimaatramp

Uitgangspunt is wat al besloten ligt in de titel Overal zit mens: de onafwendbare klimaatramp, die je, licht ironisch, de grote verbinder zou kunnen noemen. Omdat ‘wij’ er niet meer in slagen de planeet van de ondergang te redden, richten de pijlen van Kasper zich op het collectief, dat vermaledijde wij, dat een somber lot zal treffen: ‘De toekomst zal ons allen verenigen, al is het dan waarschijnlijk in een soort van hel’, en anders in een collectieve opoffering in het gemeenschappelijke belang. Het individu staat buitenspel. Met rust gelaten worden, alleen en, bijvoorbeeld, in de natuur, is er niet meer bij. Zo zou je dat collectiviteitsdenken kunnen opvatten als een daad van geweld: ‘Het individu is de kleinste, de kwetsbaarste en de minst begrepen minderheid van alle minderheden.’ Ja, het hellende vlak komt in zicht, maar Kaspers betoog houdt slim stand. Want de woordvoerder van zulke opofferingsgezindheid is een ‘moraalfilister’ die ‘van empathie een ethisch principe’ maakt – zo’n hypocriete phoney die principeloze nepheid wasemt. Die met zijn retoriek een ‘laagje onechtheid […] achterlaat op alles wat hij aanraakt’.

Lees ook de recensie van Michel Houellebecqs Anéantir: Niemand in het Westen zal nog gelukkig zijn

Zo iemand is het concrete doelwit van Kasper Kinds betoog – en van zijn handelen. De plot van de roman de moord die hij beraamt op tv-persoonlijkheid en meningvormer Max De Man. Hij (‘moralistische lapzwans’ en ‘nuttige idioot van de mondiale gelijkschakeling’) staat voor wat er mis is met het collectief, doordat hij goed in het gehoor ligt en ‘gelooft in de morele vooruitgang van mens en maatschappij’. Prettig en fijn, maar ook onwaar: zie het klimaat.

De vraag is: ‘Hoe komt het dat een figuur als Max, die van top tot teen is opgetrokken uit voorspelbare frases en klinkklare sentimentaliteit, op zo veel gehoor kan rekenen?’ Het antwoord: ‘Het brein van de massa is vatbaarder voor het illusionisme van de grote woorden dan de intelligentie van de enkeling.’ Terwijl het individu met zijn ‘onverbloemde zwartgalligheid vele malen eerlijker [is] dan het positieve schijnweten van zo veel anderen’.

Ontstellend eerlijk

En ontstellend eerlijk is Overal zit mens, althans in de tachtig procent van het boek dat ‘De fantasie’ heet. Het welluidend pleidooi voor het individu mondt uit in een stuitende als sluitende rechtvaardiging van die beraamde moord. Het moordplan is ‘een fysieke botsing met filosofische begeleiding’, waar je je lezend langzaam maar zeker door laat overtuigen. Petry is een gewiekst redenaar; door Kasper ook zachtaardig de schoonheid van de natuur te laten zien, en door Kaspers zus en nichtje weerwerk te laten bieden, maar net niet genoeg, stáát het betoog. Dit individuele verhaal klinkt inderdaad krachtiger dan hol wereldreddersoptimisme.

Lees ook de recensie van het Libris Prijs-winnende De maagd Marino (2010): Wat de kannibaal en zijn gewillige slachtoffer bezielde

Petry durft! Of niet? Een spoilerwaarschuwing is nu op zijn plaats, maar: de ontknoping is voor de harde, gevaarlijke ideeënroman die je denkt te lezen enigszins ontstellend. In het slotdeel, dat ‘De moord’ heet, wordt het betoog van Kasper weggerelativeerd. De boswachter kwam tot het besef ‘dat het weinig zin heeft om méér jezelf te willen zijn dan je aankunt. Voortaan reken ik mezelf tot het hogere huishoudpersoneel van de familie Sapiens, niet langer tot het gilde van denkers en dichters, dat uitstervende ras van zinzoekers en zelfkwellers.’ De misschien-wel-waanzin, waar we in meegingen, verliest. Van een redenering die weliswaar minder immoreel en gezonder en liever is, maar die de ideeënroman ook iets weeïgs en ongevaarlijks geeft.

Je kunt het een humane ontknoping noemen, maar ook een literaire knieval. Alsof de ideeënroman uiteindelijk wil zeggen: hm, toch geen goed idee. Mag een roman over ideeën dan niet over de schreef gaan, moet die weer bij zinnen gebracht worden? De schrijver die ooit voorstelbaar maakte waarom iemand andermans penis zou willen opeten, bindt nu in, toont zijn verstandige kant. Omdat ‘deze tijd zo uniek is dat het helemaal niet meer de moeite loont zelf nog uniek te willen zijn’. Dat is het slechte nieuws van Overal zit mens: tegen Waldschmerz legt ook de romankunst het af.