Opinie

Charles Simic zag al vroeg in dat geweld een onmiskenbare eigenschap is van de mens

Michel Krielaars

Toen ik de televisiebeelden zag van een door een Russische raket verwoest flatgebouw in het Oekraïense Dnipro besefte ik dat een oorlog nooit voorbij zal gaan voor hen die er middenin hebben gezeten. De Italiaanse schrijfster Natalia Ginzburg, wier man door de fascisten van Mussolini werd vermoord, typeerde dat treffend in haar onlangs vertaalde essaybundel De kleine deugden: ‘We zullen nooit meer onbezorgde mensen zijn, mensen die nadenken en studeren en in vrede hun leven leiden, Jullie zien wat er met onze huizen is gebeurd. Jullie zien wat er met ons is gebeurd. We zullen nooit meer geruste mensen zijn.’

Hetzelfde gold voor de Amerikaanse dichter Charles Simic, die op 9 januari op 84-jarige leeftijd overleed. In zijn werk vind je overal flarden van de Tweede Wereldoorlog, die hij als Servisch kind in Belgrado meemaakte. Zijn ervaringen bezorgden hem een surrealistische kijk op het leven, die hij met lichtheid en veel humor in zijn poëzie verwerkte.

In zijn memoires A Fly in the Soup heeft Simic het bijvoorbeeld over het grote bombardement van Belgrado in 1941, waarbij de Joegoslavische hoofdstad grotendeels werd verwoest. Hierna bestond zijn jeugd vooral uit oorlog, evacuatie, luchtalarm en ruïnes. En tegelijkertijd ging het leven gewoon door. Zo speelde hij tussen de puinhopen en zwom hij in de rivier, waar alleen zo nu en dan een lijk voorbij kwam drijven.

In die dagen werd Simics latere wereldbeeld gevormd. ‘Ik sta nog altijd versteld van alle laagheid en domheid waar ik in mijn leven getuige van ben geweest’, zei hij daarover in 2017 in een interview. Die verbazing kom je ook voortdurend tegen in zijn door Wiljan van den Akker uitgekozen en vertaalde gedichten in de bloemlezing Dat ongrijpbare iets (2021). Soms zijn die laagheid en domheid heel duidelijk aanwezig, zoals in ‘Dromenrijk’: ‘Op de eerste bladzij van mijn dromenboek/ is het altijd avond/ in een bezet land./ Een klein provinciestadje./ De huizen helemaal verduisterd./ De etalages vernield./ Het uur voor de avondklok. [...]’ Soms moet je ernaar gissen, zoals in ‘Narigheid op komst’, waarvan de eerste strofe luidt: ‘In sommige families zag men de voortekenen./ De toekomst leek op een onvriendelijke ober,/ klaar om hun bestelling op te nemen/ van een menukaart die ze niet konden lezen. [...]’ En bijna altijd is een kind de belangrijkste getuige, ook al vindt de moordzucht buiten zijn directe waarneming plaats. Zo lees je in de derde strofe van ‘Ons speelhuisje’: ‘Mijn vrienden, mijn makkers:/ Nooit zagen we de doden./ Nadat we de schoten hoorden/ en in elkaar waren gedoken, zagen/ we allen de opvliegende vogels.’

Aan zulke zinnen merk je dat een oorlog voor een kind niet te bevatten is. Je kunt alleen maar hopen dat het er geleidelijk immuun voor wordt en de kracht heeft om verder te leven. Natalia Ginzburg beschrijft die ontwikkeling in De kleine deugden: ‘We hebben de werkelijkheid van haar droefste kant leren kennen. We voelen er geen afkeer meer voor.’

In Simics debuutbundel What the Grass Says (1967) is dat nog niet het geval. Wel is hij er dan al van doordrongen dat geweld een onmiskenbare eigenschap van de mens is. Zo schrijft hij: ‘Misschien gaan we nog een keer maagden ophangen/ aan kale bomen, kerken plunderen,/ weduwen verkrachten in de diepe sneeuw?’ Precies zulke gruwelen vinden nu in Oekraïne plaats. Alleen zijn we er nog niet immuun voor.