Reportage

Een gerepareerd jasje voorkomt een hoop CO₂

Reparatie Kleren repareren kan de kledingindustrie flink minder vervuilend maken, zeggen experts. Dan moet de consument wel weer meer om een kledingstuk gaan geven.

Bij het United Repair Centre in de Amsterdamse Hallen wordt kleding van Patagonia en Scotch & Soda gerepareerd. De werkemers zijn vluchtelingen of mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Bij het United Repair Centre in de Amsterdamse Hallen wordt kleding van Patagonia en Scotch & Soda gerepareerd. De werkemers zijn vluchtelingen of mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Foto Pepijn Kouwenberg

Het groene overhemd heeft een nieuwe zoom gekregen. Kleermaker Bakri Zaitoun (41) had geen stof in de juiste kleur groen, dus nu is de zoom zwart. „Past eigenlijk wel goed bij de stijl, toch?” Zaitoun komt uit Syrië, waar hij 25 jaar lang kleermaker was. „Snijden, knippen, bedrukken, borduren” – het is een tweede natuur voor hem. Nu werkt hij bij het United Repair Centre (URC), een reparatieatelier aan de achterkant van De Hallen in Amsterdam, een voormalige tramremise.

In het atelier werken acht kleermakers, allemaal met, zoals dat heet, afstand tot de arbeidsmarkt. Vluchtelingen die het Nederlands niet machtig zijn, bijvoorbeeld, of mensen met een beperking. Deze vrijdag zijn er drie van hen aan het werk, onder wie Zaitoun, in een ruimte zo groot als een klaslokaal. Met de radio op een soulzender en het geluid van trillende naaimachines op de achtergrond repareren zij jassen, truien, blouses. Op een formulier staat met kruisjes aangegeven wat precies mis is met het betrokken kledingstuk – zonder woorden, want de kleermakers hebben verschillende achtergronden en spreken verschillende talen.

In het United Repair Centre repareren ze kledingstukken van Patagonia en Scotch & Soda. Kopers van die merken kunnen kapotte kleding terugbrengen naar de winkel, die ze naar het reparatiecentrum verzendt.

Reparatie kan een grote rol spelen in het tegengaan van overconsumptie, zegt Thami Schweichler (37), oprichter van het centrum en sociaal ondernemer. Dat vergt wel een mentale stap voor de consument: die moet weer om een kledingstuk gaan geven, zoals vroeger. Nu zijn consumenten vervreemd geraakt van de maker, wat hun waardering voor de kleding vermindert.

Schweichler: „Vroeger maakte je oma een trui voor je. Die gebruikte je zo lang mogelijk, tot ook reparatie niet meer kon. Daar zat zoveel waarde aan, want de maker was iemand in de buurt. Nu is die relatie verbroken: we kopen een T-shirt voor 10 euro, waarvoor iemand ver weg 70 cent betaald krijgt. Daar zijn we ons niet van bewust: je ziet die ander niet. De waardering voor het product, en vooral voor de maker, is zoekgeraakt.”

In 2016 richtte Schweichler Makers Unite op, dat in Nederland kleding produceert voor modemerken en daarmee werkgelegenheid biedt aan nieuwkomers. Er werken inmiddels negen mensen, in 2021 boekte het 260.000 euro omzet. Afgelopen juli vloeide daar het URC uit voort, dat in hetzelfde pand kleding repareert voor bepaalde modemerken. Daar werken nu elf mensen, van wie acht kleermakers. „We willen reparatie op grote schaal faciliteren.” Schweichler schat de omzet over 2022 op 200.000 euro, afkomstig van de merken die er reparaties laten uitvoeren.

Wegwerpitems

Niet alleen de gegroeide afstand tot de maker heeft de band tussen kleding en drager verbroken, zegt Anna Bosshard, klimaat- en sociaal psycholoog. Zij doet aan de Universiteit van Amsterdam promotie-onderzoek naar de psychologie achter consumptiegedrag en richt zich daarbij onder meer op manieren om minder consumptie en meer reparatie te stimuleren. „Kledingstukken zijn wegwerp-items geworden. We denken niet eens aan reparatie: op een gegeven moment is iets toch niet meer hip. Of de kwaliteit van een item is gewoon te slecht voor reparatie.”

Bosshard vermoedt dat consumenten reparatie vaak nog als gedoe zien, simpelweg omdat zij weinig waarde toedichten aan hun kleding. En dat gebeurt weer omdat kleding voor de meeste mensen zo massaal voorhanden is.

Zij onderzoekt hoe de consument die waarde kan terugvinden. „Bijvoorbeeld door te kijken of mensen eerder gehecht raken aan tweedehandskleding omdat het meer moeite heeft gekost die te vinden.” Of doordat kleren herinneringen met zich meedragen, die consumenten opnieuw kunnen oproepen: „Door te denken aan een leuke vakantie, een eerste date. Als je die associatie maakt, is de kans mogelijk groter dat je kleren laat repareren in plaats van ze weg te gooien.”

Veel consumenten nemen nog wel de moeite om kleding die ze kwijt willen naar de textielcontainer om de hoek te brengen, weet Bosshard. „Maar de voordelen daarvan worden vaak overschat. Kleding uit de textielbak maakt wéér een reis over de wereld en eindigt vaak op een kledingberg in een land dat er helemaal geen behoefte aan heeft omdat we er al zoveel naartoe sturen. Die kleding wordt dan alsnog verbrand.”

Een vrouw repareert kleding bij het United Repair Centre.
Foto Pepijn Kouwenberg

Foto Pepijn Kouwenberg
Foto’s Pepijn Kouwenberg

Schweichler begon zijn reparatiecentrum in samenwerking met Patagonia, voorloper in duurzaam geproduceerde kleding, ook van gerecycled materiaal. Het bedrijf werd tevens de eerste klant. Patagonia heeft „reparatie in het DNA”, zegt hij, en had de kennis in huis om een grootschalig reparatiesysteem in te richten. „We delen die kennis met andere merken, zodat die ook zien dat reparatieprogramma’s winstgevend kunnen zijn. Reparatie is ook een manier van klantenbinding.” Hij begrijpt dat het bedrijven vooral daarom gaat. „Maar hoe leuk is het om winst te maken met een positieve impact op mens en milieu?”

Volgens Schweichler is zijn aanpak aantrekkelijk voor veel meer merken dan de twee die zijn reparatiecentrum nu als klant heeft. Hij is intussen met tien andere merken in gesprek. Over vier jaar, in 2026, wil hij zestig merken aan zich gebonden hebben. Repareren de kleermakers in het atelier nu 15.000 kledingstukken per jaar, in 2026 moeten dat er 300.000 zijn. En dan zijn het honderd kleermakers in plaats van acht, en 138 medewerkers in totaal. „We moeten dan wel naar een wat grotere locatie verhuizen.”

De reparaties die URC uitvoert voor Patagonia en Scotch & Soda zijn gratis voor consumenten; de merken betalen. Dat is ingecalculeerd, zegt Matthijs Visch, manager bij Patagonia Europa. Zijn ambitie is naar honderdduizend jaarlijkse reparaties in Europa te gaan, waar het er nu nog tien- tot vijftienduizend zijn.

Best duur die ambitie, want een reparatie kost tot 35 euro. Wel scheelt het al dat de reparaties zoveel mogelijk lokaal gebeuren, zoals bij URC. Eerst ging alles naar een atelier in Portugal, wat meer vervoerskosten met zich meebracht.

Patagonia sluit niet uit dat het in de toekomst klanten wel een bijdrage zal vragen voor reparatie. H&M en Levi’s hebben al een betaalde reparatieservice, hoewel die in sommige Levi’s-filialen dan weer gratis is.

De consument is het belangrijker gaan vinden om langer met kleding te doen, merkt Annet Feenstra, duurzaamheidsmanager bij H&M. Met de reparatieservice haakt het modemerk in op een trend. „Als je vroeger een gaatje in je kleding had door motten of een kattenklauwtje, dacht je al gauw: shit, dat kan niet onzichtbaar gerepareerd worden. Maar dat hoeft helemaal niet meer. De houding is juist: laat maar zien dat het gerepareerd is.”

Ook het Zweedse spijkerbroekenmerk Nudie Jeans, dat in verschillende Nederlandse warenhuizen wordt verkocht en een eigen vestiging heeft in Amsterdam, biedt gratis reparatie aan. Veel kost het niet, zegt manager Ikrame Charif. Klanten kunnen oude broeken in de winkel inleveren. Die gebruikt Nudie Jeans voor reparatie, zodat het daarvoor geen stof hoeft te kopen. Nudie Jeans voert zo’n zeventig reparaties per week uit in Nederland. Alle medewerkers leren zelf repareren, waardoor inhuur van kleermakers niet nodig is. Wel zijn er kosten voor lijm, draden en onderhoud, en de reparatie kost tijd. „Maar dat nemen we met liefde op ons.”

Afvalverwerking

Nieuwe wetgeving zou meer merken kunnen aanzetten tot reparatie. Dit jaar is in Nederland de Uitgebreide Producenten Verantwoordelijkheid (UPV) van kracht geworden, die producenten financieel verantwoordelijk maakt voor de verwerking van afval door eigen productie. Inzamelen, sorteren, verwerken, recyclen: voorheen betaalden en regelden gemeenten dat, nu moeten de producenten het zelf doen.

„Dan wil je als bedrijf een product maken dat zo lang mogelijk meegaat”, zegt Natascha van der Velden, onafhankelijk onderzoeker en consultant duurzame mode. Reparatie leidt tot minder afval, en dus tot lagere kosten voor afvalverwerking. Natuurlijk, uiteindelijk wordt het toch afval, al is het na een aantal reparaties. Maar dan heeft het kledingstuk wel een langere levensduur gehad.

„De voordelen van de textielbak worden vaak overschat”

Anna Bosshard sociaal psycholoog

In zijn gesprekken met modemerken ziet Schweichler „zelfs bij grote fast fashion-ketens” die veel en goedkope kleding op de markt brengen de wil om te verbeteren. Hij noemt C&A, zegt hij, klant bij Makers Unite, URC’s grote zus. Makers Unite ontwerpt kleding voor C&A op een „sociale en duurzame manier”, zegt Schweichler. „C&A is nog steeds fast fashion, maar het wil duidelijk veranderen.” Zo opende C&A in 2021 een fabriek in Duitsland, terwijl de meeste kledingmerken goedkope productielocaties in Azië gebruiken en het vervuilende transport naar hun afzetmarkten op de koop toe nemen.

„Hoe gaaf is dit jasje?” Schweichler houdt een spijkerjasje van C&A met zwarte mouwen omhoog – het is een combinatie van twee oude jassen. „Die waren niet meer te repareren, maar bepaalde onderdelen waren nog prima. Dus hebben we de jassen uit elkaar gehaald en aan elkaar genaaid. Als dit op grote schaal gebeurt, scheelt dat zó veel afval.”

URC houdt de milieuwinst van de reparaties bij door de besparing op CO2-uitstoot, textielafval en water te meten. Daarbij gaan het ervan uit dat een consument dankzij reparatie een kledingstuk niet weggooit en geen nieuw aanschaft. Voor de berekening gebruikt URC onderzoeksdata uit het Handbook of Life Cycle Assessment of Textiles and Clothing (2016). Dat becijfert onder meer de CO2-uitstoot per kilo textiel. „Een T-shirt weegt natuurlijk minder dan een winterjas, maar gemiddeld weegt een kledingstuk 400 gram.” Op basis van dat gemiddelde bedraagt de besparing door reparatie in zijn algemeenheid 5,39 kilo CO2 per kledingstuk.

Winst maken

Hoe meer een kledingbedrijf repareert, hoe minder het verkoopt. Immers: elke reparatie voorkomt dat een consument iets nieuws nodig heeft. Past dat wel in een systeem, een industrie gericht op groei? Schweichler denkt van wel – als de zucht naar winst maar niet zover doorslaat als nu. Bedrijven doen alles om zoveel mogelijk te verdienen, zonder de consequenties in acht te nemen, vindt hij. Zo is het kapitalisme een race naar de bodem, „en we zijn door de bodem gezakt”. De focus op winst heeft van de kledingindustrie de meest vervuilende – en mensonterende, voegt hij daaraan toe – industrie gemaakt die er is.

Wat hem betreft is een nieuw businessmodel nodig, en daarin hoort reparatie. Hij gebaart naar rekken vol gerepareerde kleding langs de muren van het reparatiecentrum. „Deze kledingstukken gaan allemaal terug naar de winkel waar hun eigenaren ze weer ophalen. Daarmee creëer je een nieuw contactmoment met je consument – heel waardevol voor de relatie en de loyaliteit.”

Winst is inderdaad belangrijk in je bedrijfsvoering, zegt ook directeur innovatie bij Patagonia Matt Dwyer. Maar het is niet alles. „We zijn een bedrijf dat winst wil maken én dat wil bijdragen aan het redden van de planeet. Winst hebben we nodig om die missie te voltooien.”