Opinie

Stalin vroeg over de telefoon aan een beroemde schrijver wat die van zijn terreur vond

Michel Krielaars

Vrienden in Moskou vertelden me aan de telefoon in bedekte termen dat ze bang waren. Bang om naar het front gestuurd te worden, bang om te protesteren tegen de oorlog, bang om alles te verliezen wat ze hadden opgebouwd. Aangezien ik zelf in een land woon waar ik niet bang hoef te zijn om gearresteerd te worden omdat ik iets gezegd heb wat premier Rutte niet bevalt, kan ik me die angst moeilijk voorstellen. Maar voor veel Russen is die reëel. Ik besefte dat toen ik de onlangs vertaalde roman Onenigheid aan de top van Ismail Kadare las.

In 1958 studeerde de Albanese schrijver een jaar in Moskou. Hij maakte er mee hoe Boris Pasternak, die net de Nobelprijs voor zijn illegaal in het buitenland verschenen Dokter Zjivago had gekregen, door het regime werd verketterd. Iedereen deed mee aan die hetze. Zo beschrijft Kadare hoe studenten op straat in koor stonden te brullen dat Pasternak die prijs niet moest aannemen, wat hij uiteindelijk ook niet durfde.

Een van de drogredenen om Pasternak zwart te maken was dat hij het in 1934, tijdens een telefoontje van Stalin, niet had opgenomen voor de dichter Osip Mandelstam. Die was een maand eerder gearresteerd omdat hij in een aan vrienden voorgelezen gedicht de spot dreef met de dictator. Mandelstam werd verbannen en in 1938 opnieuw gearresteerd. Onderweg naar een strafkamp in het Verre Oosten bezweek hij.

Kadare vraagt zich in zijn roman af wat er in dat drie minuten durende telefoongesprek tussen Stalin en Pasternak werkelijk is gezegd. Het intrigeert hem des te meer omdat ook hij zo’n telefoontje had kunnen krijgen, maar dan van de Albanese dictator en literatuurliefhebber Enver Hoxha. Wat zou hij dan zelf hebben geantwoord op de vraag wat hij vond van de gearresteerde dichter X of Y?

Eigenlijk wil Kadare een roman over zijn tijd in Moskou schrijven, maar hij raakt steeds meer gefascineerd door dat ene telefoontje, waarvan in de loop der jaren dertien versies zijn ontstaan. Als een rechercheur gaat hij die varianten af om te laten zien dat in een land waar angst regeert niemand vrijuit kan spreken en de waarheid voor altijd naar zich laat raden.

Toen Stalin Pasternak belde om te weten te komen wat hij van de gearresteerde Mandelstam vond, zou de schrijver zoiets hebben geantwoord als: ‘Wij zijn heel verschillend’. Hij nam het dus niet voor Mandelstam op, wat hij wel zou hebben gedaan als hij Mark Rutte aan de lijn had gekregen. Maar Pasternak, overrompeld door Stalins telefoontje, was bang, gewoon omdat een verkeerd antwoord hem de kop kon kosten. En hij hád het verkeerde gezegd, want op zijn gestamel zou Stalin hebben geantwoord dat Pasternak een slechte kameraad was, waarna hij de verbinding verbrak.

Waarom Stalin Pasternak belde weet nog altijd niemand. Misschien wilde hij weten of hij een juist besluit had genomen door Mandelstam te laten oppakken. Misschien wilde de sadistische dictator de door hem bewonderde Pasternak angst inboezemen. Raadselachtig is ook waarom de schrijver kort na dat telefoontje een mooi appartement toegewezen kreeg door de staat en in 1935 een grote datsja in Peredelkino.

Kadare maakt van dat alles een huiveringwekkend en knap literair spel. Als ik niet wist hoe bang mijn Moskouse vrienden zijn, zou ik zijn boek aan hen willen voorlezen. Zo veelzeggend is het over wat er dezer dagen in hun land gebeurt.