Opinie

De late bevestiging van een oude liefde

Michel Krielaars

Mijn moeder sterft voor een tweede keer. Was zij drie jaar geleden in eigen persoon aan de beurt, nu is haar bijna 99-jarige, demente tweelingzuster aan haar laatste ademtocht begonnen. Ze zijn eeneiïg, dus het uiterlijke verschil tussen beiden is minimaal. Alleen de strenge mond van mijn tante is anders; mijn moeder had altijd een lieve glimlach voor iedereen. Als ik mijn tante’s hand streel om haar onrust te doen verminderen, voel ik mijn moeder weer, diezelfde greep, diezelfde kracht.

Terwijl mijn tante’s ademhaling borrelt en zij in haar halfslaap om zowel haar als mijn moeder roept, lees ik een boek over een vrouw die doodgaat. Het is de nieuwe novelle van Theodor Holman, ALS de liefde. Dat ALS slaat op de gelijknamige spierziekte van een van de hoofdpersonen, de beeldend kunstenares Esther Strauss. Maar je kan het ook opvatten alsof de liefde een late imitatie is van wat die had moeten zijn.

Holman is een schrijver die het tragische met verfijnde en ontroerende humor bestrijdt. Tijdens het gerochel van mijn tante moet ik dan ook regelmatig lachen. Soms lees ik haar een zin hardop voor in de hoop op nog een beetje contact .

Net als Mensje van Keulen schrijft Holman over gewone mensen met kleine ergernissen en verlangens. Zo is de verteller in ALS de liefde, Honk, iemand die op de kunstacademie heeft gezeten, maar begrafenisondernemer is geworden.

Aan het begin van de novelle heeft Honk zijn bedrijf net verkocht, na duizenden begrafenissen te hebben georganiseerd en evenzoveel grafredes te hebben aangehoord. Met een Volkswagenbusje wil hij grote reizen door Europa maken, langs plekken waar hij met zijn zes jaar eerder overleden ex-vrouw is geweest. Alsof hij nog eens wil onderzoeken waarom hij ongelukkig met haar was.

Na afloop van zijn laatste crematie wordt Honk aangeklampt door een vrouw met wie hij veertig jaar eerder een nacht het bed heeft gedeeld. Ze doet hem de groeten van Esther, zijn ‘grote liefde’ van de kunstacademie, die hem in diezelfde academiejaren na een paar weken aan de kant heeft gezet om in Parijs en New York met de halve internationale artistieke jetset het bed te delen en vervolgens zelf een wereldberoemd kunstenares is geworden.

Via Facebook maakt hij een afspraak met haar en bezoekt haar na al die jaren in haar grote huis in de Vondelstraat, dicht bij het park waar ze in hun academiejaren verliefd rondfladderden. Tot zijn grote schrik zit Esther in een rolstoel. Ze heeft ALS en verkeert in de laatste dagen van haar leven.

Toevallig heeft Honk, nu hij met werken is opgehouden, via Tinder een nieuwe liefde opgedaan, Carine. Met haar kan hij voor het eerst in zijn leven intiem zijn, zo merkt hij. Esther is dan ook een stoorzender, omdat die nieuwe, bevredigende liefde het tegen die oude, onbevredigde moet opnemen. En omdat Honk alsnog naar bevestiging door Esther snakt, laat hij dat gewoon gebeuren.

Als in een late novelle van W.F. Hermans ontspint zich nu een steeds benauwendere plot, die je op zijn Holmans uiteindelijk toch een troostende glimlach bezorgt. De laatste zinnen van zijn novelle heb ik daarom aan mijn tante voorgelezen. Een ervan luidt: ‘Vandaag heb ik de eerste romantische daad in mijn leven verricht.’ Waarschijnlijk heeft ze er niets van begrepen.