Het atelier van Mondriaan was een voorbode van het paradijs

Piet Mondriaan had zijn atelier in Parijs honderd jaar geleden geheel ingericht volgens de beginselen van de Nieuwe Beelding. Bezoekers ervoeren het als hemels en paradijselijk. ‘Als ik weer op straat stond, was ik gewassen’.

Het atelier van Mondriaan in Parijs
Het atelier van Mondriaan in Parijs Foto Mondriaanhuis

Voordat de Nederlandse schilder Wim Schuhmacher in 1924 een bezoek bracht aan Piet Mondriaan in zijn Parijse atelier, had hij drie dagen dronken door de stad gezworven. „Ik was moe en vuil”, herinnerde hij zich precies een halve eeuw later in een interview in weekblad Vrij Nederland. „Dan ging ik de trap op , een ronde trap van cement. De muur was geteerd, zwart. En daar hing een heel vet touw.” Het trappenhuis was groezelig en het stonk er naar urine. Op de tweede verdieping aangekomen, zag Schuhmacher een wasbak. „Die was niet van Piet, maar van de hele verdieping. En die bak was bijzonder vuil.”

Maar toen hij Mondriaans atelierwoning betrad, kwam hij in een schone en heldere wereld terecht. „De keuken was de entree. Er waren wat witte kastjes. De rooie kool of de bloemkool lag op juiste plaats. En dan het atelier.” Hoe dit er precies uitzag, kon Schuhmacher zich slechts vaag herinneren. Maar wel wist hij nog precies dat hij zich na zijn bezoek „helemaal schoon” voelde: „En als ik dan ten slotte op straat weer stond, dan was ik gewassen, maar ik had geen bad genomen.”

Portret van Piet Mondriaan in zijn atelier aan de Rue du Départ in Parijs, 1929

Foto collectie RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis

Gek genoeg hield Schuhmacher helemaal niet van Mondriaans geometrisch-abstracte schilderijen met rechthoeken in primaire en niet-kleuren en zwarte lijnen. „Die schilderijen in het museum, dat is allemaal waardeloos”, zei hij in 1974. Maar Mondriaans atelier vond hij schitterend. De musea hadden er dan ook beter aan gedaan om Mondriaans atelier – en niet zijn schilderijen – te kopen, merkte hij op. Dit kon toen allang niet meer. In 1936 was het pand waarin Mondriaan sinds 1921 woonde en schilderde, gesloopt om plaats te maken voor een uitbreiding van het Gare Montparnasse.

Toch bestaan er nu twee Parijse ateliers van Mondriaan. De eerste is de in 1995 voltooide reconstructie die Jan Postma maakte op basis van foto’s en beschrijvingen van bezoekers van Mondriaans atelier. Dit demontabele Mondriaanatelier, tentoongesteld in onder meer het Centre Pompidou in Parijs en Kunstmuseum Den Haag, ligt nu in de opslag. In het begin van de 21ste eeuw liet het Mondriaanhuis in Amersfoort een tweede reconstructie maken die permanent staat opgesteld in het museum, het schoolgebouw annex woonhuis waar Mondriaan in 1872 als zoon van de schooldirecteur werd geboren.

Josephine Baker

Mondriaans atelier in het Mondriaanhuis bestaat uit twee delen. Het eerste is een geheel wit geschilderde monnikscel, met een eenpersoonsbed met een witte sprei en een tafeltje met een wit blad en zwarte poten. Op de tafel staat een replica van de bolle vaas met wit geschilderde kunsttulp die de Hongaarse fotograaf André Kertesz in 1926 in Mondriaans atelier vereeuwigde. Aan de muur boven het bed hangen een stuk of twintig foto’s van de bijna naakte Amerikaans-Franse danseres Josephine Baker.

In het atelier zelf, met een onregelmatig vijfhoekige plattegrond, zijn op de witte wanden kleine en grote rechthoeken in primaire en de niet-kleuren grijs en zwart geschilderd. Sommige rechthoeken zijn stukken beschilderd karton, een enkele is met zilververf beschilderd. Het plafond is grijs geschilderd, de houten vloer donkergrijs, bijna zwart. Her en der hangen kopieën van Mondriaans schilderijen, waaronder de ruitvormige Compositie met grijze lijnen uit 1919.

Het lijkt me altijd of ik bij onze lieve Heer binnen gelaten word als ik bij jou kom

Alle meubels staan loodrecht op de wanden. De simpele, rechthoekige kastjes en krukjes zijn wit, rood en blauw geschilderd. Je zou denken dat Mondriaan als lid van De Stijl de beroemde rood-blauwe stoel van Gerrit Rietveld had gekregen of gekocht, maar die ontbreekt. Wel staan er twee rieten stoelen die, net als een tafel, wit zijn geschilderd. Twee schildersezels staan er, een zwarte en een wit.

Zo is het atelier bijna geheel ingericht volgens de wetten van de Nieuwe Beelding, zoals Mondriaan zijn rechthoekige geometrisch-abstracte kunst noemde. De meest in het oog springende inbreuk hierop is de ronde potkachel, die bijna in het midden van het atelier staat en waaraan Mondriaan volgens de overlevering een grondige hekel had. Tenzij het om vrouwen ging, was rond taboe in Mondriaans vierkante denkwereld.

Universele kunst

Met de inrichting van zijn atelier in Parijs had Mondriaan een eeuw geleden een microkosmos geschapen die, zo wist hij zeker, eens zou uitgroeien tot een macrokosmos. Hij was ervan overtuigd dat zijn Nieuwe Beelding als de ‘zuivere beelding’ van de fundamentele, metafysische werkelijkheid die achter de zichtbare realiteit schuilging, de universele kunst zou worden van het nieuwe, komende ‘abstract-geestelijke’ tijdperk. Als de wetten van de Nieuwe Beelding in de toekomst worden toegepast op woningen en straten, zo voorspelde Mondriaan in 1927, dan „zullen de steden hygiënisch en schoon zijn door een evenwichtige tegenstelling van gebouwen, constructies en leege ruimtes”. Dan zal de mens „gelukkig zijn in een aardsch paradijs door hemzelf geschapen”, profeteerde hij in zijn artikel ‘Neo-plasticisme’ in het tijdschrift i10.

Wel plaatste hij hierbij de kanttekening dat het aardse paradijs nog wel even op zich liet wachten. Want de 20ste-eeuwse massamens was nog niet ‘rijp’ voor het tijdperk van de abstracte geest en hechtte nog te veel aan gezelligheid en ‘de idee tehuis (Home Sweet Home)’. Voorlopig zou zijn eigen atelier de enige woning blijven die volgens de wetten van de Nieuwe Beelding was vormgegeven en zo een glimp liet zien van het paradijs.

Kluizenaar

Aan de buitenwereld presenteerde Mondriaan zich graag als de versmade profeet die in zijn driedimensionale Mondriaan een ascetisch leven leidde in dienst van de nieuwe kunst en geduldig wachtte op de verbreiding van de abstracte geest. „Ik zit in Parijs als eenling – vervelend, maar logisch dat ’t zo moet zijn”, schreef hij eens aan de oprichter van De Stijl Theo van Doesburg. In werkelijkheid was hij allerminst een kluizenaar die eenzaam leefde in het huis van de toekomst. Het was een komen en gaan van vrienden en bezoekers in zijn atelier. Niet alleen André Kertesz fotografeerde zijn atelier, Mondriaan gaf ook de Franse fotograaf Paul Delbo de opdracht om zijn Gesamtkunstwerk vast te leggen – een van Delpo’s foto’s staat bij zijn artikel in i10. Journalisten van Nederlandse dagbladen als NRC en Het Vaderland kwamen bij hem langs en gaven bekendheid aan zijn atelier dat was ingericht „volgens de voornaamste leerstellingen van het neo-plastische evangelie”, zoals de Parijse correspondent van De Telegraaf schreef.

Atelier van Piet Mondriaan in 1927

Foto Paul Delbo Collectie RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis

Verschillende bezoekers ervoeren Mondriaans atelier op soortgelijke wijze als Wim Schuhmacher. Zo beleefde de schilderes Maud van Loon het bestijgen van de trap naar Mondriaans atelier als een tocht naar het paradijs: „Het trappenhuis was verschrikkelijk: vreselijk armoedig, het zag er niet uit. Dan kwam je zijn deur door en dan was er ineens een heerlijk wit atelier met hier en daar een kleurvlak. Als je binnenkwam, was je in een paradijs.”

De typograaf en industrieel vormgever Piet Zwart vond Mondriaans atelier hemels. „Zijn atelier midden in Mont Parnasse is iets heel prachtigs”, schreef hij in 1926 in een brief aan zijn geliefde. „Alle dimensie is er om zoo te zeggen uit; het wil me uit den mond: ‘jongen, het lijkt me altijd of ik bij onzen lieven Heer binnen gelaten word als ik bij jou kom’. We hebben er hartelijk om gelachen. Een fransch vrouwtje, vertelde hij, had hem eens gezegd: „Mais monsieur, chez vous on ne peut pas avoir de chagrin”. Inderdaad: deze zorgenvolle man heeft zich een omgeving geschapen die steriel is tegen de zorgen.”

De Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder werd in zijn kunst door Mondriaans atelier zelfs op een nieuw spoor gezet, dat in 1930 leidde naar zijn mobiles. „Het was een buitengewoon opwindend vertrek”, schreef Calder in zijn autobiografie. „Ik opperde Mondriaan dat het misschien leuk zou zijn die rechthoeken heen en weer te laten bewegen, waarop hij met een hoogst ernstig gezicht antwoordde: ‘Nee, dat is niet nodig, mijn schilderkunst is al heel snel.’ Dit ene bezoek gaf me een schok die dingen in werking zette.”

Toch was, anders dan Mondriaan had verwacht, niet iedereen gelukkig in zijn aards paradijs. Toen er eens een Russische vrouw bij hem op bezoek was gekomen, zo schreef pianiste Maaike Middelkoop in haar herinneringen, had ze „na een paar minuten in zijn atelier te hebben rondgekeken heel verwonderd gezegd: ‘Mais … on ne peut pas faire l’amour ici’.”

Lees ook dit artikel over Mondriaans laatste schilderij