Recensie

Recensie Muziek

Concertgebouworkest en Mäkelä etaleren hun zielsverwantschap

Hedendaagse muziek Klaus Mäkelä dirigeerde een concert waaraan alles klopte, met een geweldig nieuw hoboconcert van Alexander Raskatov én de integrale balletmuziek van Stravinsky’s ‘Vuurvogel’.

Het Concertgebouworkest o.l.v. Klaus Mäkelä.
Het Concertgebouworkest o.l.v. Klaus Mäkelä. Foto Marco Borggreve

Op de valreep dirigeerde ‘artistiek partner’ van het Concertgebouworkest Klaus Mäkelä nog een van de beste concerten van het jaar. Over vijf jaar pas treedt hij aan als chef-dirigent – een érg lange verlovingstijd voor zo’n goudomrand instituut en zo’n jonge dirigent. Stel dat het ‘op’ raakt in de tussentijd? Maar wie Mäkelä en het orkest samen bezig hoort en ziet, beseft: deze wederzijdse tinteling is een zielsverwantschap. En wij, gelukkigen, hoeven alleen maar aan te schuiven en ervan te genieten.

Alles klopte aan het programma: het soortelijk gewicht van de onderdelen, de samenhang en de uitvoering. Mäkelä koos ervoor de volledige balletmuziek van Stravinsky’s Vuurvogel te spelen (en niet een van de suites die je meestal hoort) en combineerde die met de wereldpremière van Alexander Raskatovs Hoboconcert, geschreven voor de geliefde solohoboïst van het orkest, Alexei Ogrintchouk. Als voorgerecht was er nog een broeierig werk van de jonge Finse componist Sauli Zinovjev, Batteria: een doorleefd sfeerstuk, met een duister-statige tred en beierende buisklokken, dat zich halverwege even ontpopte als Iberisch dansje.

Lees ook: Concertgebouworkest speelt met nieuwe chef Mäkelä een Mahler vol zangerigheid én testosteron

Kleurrijk fantasielandschap

Raskatov maakte in 2010 een onvergetelijke indruk met zijn opera A dog’s heart, die bij De Nationale Opera in première ging en in 2017 nog werd hernomen. In maart presenteert DNO ook Raskatovs nieuwe opera Animal Farm. Maar nu was er alvast het hoboconcert Time’s river, geïnspireerd door een onvoltooid werk uit 1816 van de Russische dichter Derzjavin over vergankelijkheid en vergetelheid, waarin de solopartij als een glinsterend zilverlint door een kleurrijk fantasielandschap trok.

Alles kan bij Raskatov. Zijn klankverbeelding is fenomenaal: alleen al de opening, een gemangeld herautisch motiefje van Ogrintchouk, tegen de eenzaam rondzingende flageolet van één contrabas – magisch. Er waren Hawaï-gitaarachtige glijers op harpsnaren, gesnuif in hoorns, een gedompelde tamtam, manische walking-bass-lijnen, allerlei briljante melodische ideetjes, alles besprenkeld met akoestisch sterrenstof én bijeengebracht in een meeslepend, geestig en geestrijk muzikaal betoog. Ogrintchouk, zoals gewoonlijk, bracht het met superieure flair.

Toen kwam dus nog de Vuurvogel. De gekende hoogtepunten bleven gewoon de hoogtepunten, maar toch viel er veel te zeggen voor Mäkelä’s keuze om de integrale balletmuziek te spelen. Hoewel Stravinsky’s muziek geen zwaktes bevat, was het vooral het perspectief op de dramaturgie van het geheel dat verrijkend werkte. Mäkelä had de spanningsboog meesterlijk onder controle, zorgde voor helderheid en opwinding en toen aan het slot de hoogtepunten kwamen – de ‘Helse dans’, het ‘Wiegelied’ – was het effect louterend. Zo sensationeel goed als het Concertgebouworkest speelde, heb ik deze nummers zelden gehoord.

Klassiek Bekijk een overzicht van onze recensies over klassiek