Onderzoekscommissie: Nederland nam grote risico’s met hulpprogramma Syrische oppositie

NLA-programma Het kabinet steunde Syrische oppositiegroepen tussen 2015 en 2018 met ruim 25 miljoen euro. Nu blijkt het onduidelijk bij wie de hulp is terechtgekomen en hoeveel groepen het kabinet heeft gesteund.
Een plein in de tijdens de Syrische burgeroorlog zwaar getroffen stad Kobani.
Een plein in de tijdens de Syrische burgeroorlog zwaar getroffen stad Kobani. Foto Delul Souleiman/AFP

Nederland heeft met het hulpprogramma voor Syrische oppositiegroepen dat tussen 2015 en 2018 bestond „grote risico’s” genomen. Dat concludeert de commissie-Cammaert in een vrijdag gepubliceerd rapport. Het kabinet had als doel om gematigde groeperingen in Syrië middels het NLA-programma (Non-Lethal Assistance) voor een bedrag van ruim 25 miljoen euro onder meer pick-uptrucks, communicatieapparatuur, tenten en nachtkijkers te geven. Deze groeperingen streden tegen zowel zittend president Bashar al-Assad en terreurgroep IS. Nu blijkt het onduidelijk bij wie de hulp is terechtgekomen en hoeveel groepen het kabinet heeft gesteund.

Het kabinet-Rutte III kondigde het onafhankelijk onderzoek begin vorig jaar aan, nadat de Tweede Kamer daarop aandrong naar aanleiding van publicaties van Nieuwsuur en Trouw. Zij berichtten dat een deel van de steun in handen zou zijn gevallen van extremisten en mede bestemd was voor een groepering die door het Openbaar Ministerie als terroristisch is aangemerkt.

De commissie-Cammaert bevestigt die berichtgeving niet, maar concludeert wel dat het per definitie „onmogelijk” is om in een oorlogssituatie zoals die in Syrië volledig zicht te houden op verschillende groeperingen. Volgens de commissie had de Tweede Kamer daardoor „een weinig expliciet en realistisch beeld van de mogelijkheden en de risico’s van het NLA-programma”. Het kabinet zei eerder 22 hulpgroepen te hebben gesteund, maar volgens de commissie-Cammaert blijft het onduidelijk om hoeveel groepen het gaat. Dat zouden er 19, maar ook 25 kunnen zijn.

Lees ook dit artikel over het stroef lopende onderzoek naar het NLA-programma

Kabinet wilde geen onderzoek

De commissie oordeelt daarnaast onder meer dat de hulp „volgens geldend internationaal recht strijdig is met het non-interventiebeginsel”, dat inhoudt dat staten zich niet mengen in interne politieke zaken van andere staten. Ook is het kabinet volgens de commissie „zeer beperkt” geweest in het informeren van de Tweede Kamer over de operatie.

Het onderzoek naar het NLA-programma liet lang op zich wachten. Eind 2020 gaf destijds demissionair premier Mark Rutte (VVD) toe dat hij geprobeerd had het onderzoek tegen te houden om „spanningen met bondgenoten” te voorkomen. Ook zei Rutte dat het onderzoek geen nieuws zou opleveren. Wel gaf kabinet toen toe dat het programma niet helemaal goed was verlopen.