De Indische schuld: over trots, pijn en berusting

Drie eeuwen lang was Nederlands-Indië een kolonie van Nederland. Oud-Indonesië-correspondent Frank Vermeulen sprak dertig mensen die er tachtig jaar geleden bij waren toen Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog werd bezet door de Japanners. Ze vertellen over het vaak bevoorrechte bestaan in de vooroorlogse maatschappij. En over hoe daaraan een eind kwam met de Japanse bezetting van de archipel vanaf begin 1942. Het leven in Japanse kampen. En het overleven buiten de kampen. Over de bevrijding die vaak geen bevrijding bracht. En over de ijskoude ontvangst daarna in het vaderland, dat de meesten nog nooit hadden gezien. De afgelopen drie jaar portretteerde fotograaf Frank Ruiter deze laatste ooggetuigen van Nederlands-Indië voor het rubriek 'Over Indië'.

Bertie Best-Berg(Papoh, 1921): „Zelfs als je moeder een Javaanse was, zoals mijn moeder, werd daar nooit over gesproken. Ze waren er verlegen mee.” Foto Frank Ruiter

Ed Kool van Langenberghe (Djokjakarta, 1928): „Ik heb mijn leven juist te danken aan de Japanners” Foto Frank Ruiter

Joty ter Kulve-Van Os (Semarang, 1927): „Hollanders zagen ons net als Indonesiërs: als minderwaardig. Op school kreeg ik bijvoorbeeld ineens geen cadeautje meer met Sinterklaas zoals de andere kinderen. Het heeft me veel moeite gekost om van dat gevoel dat je minder bent af te komen” Foto Frank Ruiter

Jean Lucien Monfils (Semarang, 1928): „Die Javaanse geestenwereld is met me meegekomen” Foto Frank Ruiter

Marij Mouwen: „We belandden in Tjideng, een concentratiekamp in Batavia. Ik kan het nog uittekenen” Foto Frank Ruiter

Pramono (Pram) Sutikno (1928): „Mijn vader zei over Nederlanders: ‘Het zijn mensen, hoor. Je mag ze niet haten. Het systéém is verkeerd.’ Hij vond: mensen hebben hun beperkingen, hun zwakheden. Wijzelf ook.” Foto Frank Ruiter

Gwen Kamerling-Smit (Batavia, 1929): „We leden geen honger maar ik raakten wel ondervoed. Mijn oma moest juwelen verkopen, en ging kamers verhuren. En er kwamen tantes bij ons wonen. Het was propvol, net als in het kamp, alleen hadden wij wel meer vrijheid.” Foto Frank Ruiter

Ko Swan Sik (Magelang, 1931): „Ik woon hier maar ben altijd Indonesiër gebleven” Foto Frank Ruiter

Willy Glorius-Jansen (Sibolga, 1931): „De Jap wilde een bordeel maken van onze straat. We kregen de mogelijkheid om voor onze eigen veiligheid te gaan wonen in Tjideng, dat was een ‘beschermde wijk’. Maar die wijk bleek al snel een concentratiekamp. Twee keer per dag ’s morgens en ’s avonds om zes uur, moesten we op appel. Het hele kamp, kleutertjes, iedereen. Waar ik altijd zo’n bewondering voor had, was hoe de kleuters dan netjes stil in de rij stonden. Want die wisten wel dat als zij vervelend waren, mama de klappen kreeg.” Foto Frank Ruiter

Paul Risseeuw (Tjepoe, 1935) en Marijke Risseeuw (Tjepoe, 1937): „Hoe onze ouders dit allemaal hebben ondergaan, daarover is nooit gepraat.” Foto Frank Ruiter