Recensie

Recensie Boeken

Hoe de wereld op het nippertje ontsnapte aan een atoomoorlog

Cubacrisis In 1962 kwam het bijna tot een kernoorlog tussen de VS en de Sovjet-Unie. Twee boeken laten zien hoe door een kettingreactie van misverstanden de spanningen steeds verder opliepen.

President John Kennedy vergadert met chef-staf van de Amerikaanse luchtmacht Curtis Lemay (met vier sterren) en medewerkers over de Cuba-crisis, in oktober 1962.
President John Kennedy vergadert met chef-staf van de Amerikaanse luchtmacht Curtis Lemay (met vier sterren) en medewerkers over de Cuba-crisis, in oktober 1962. Foto Charles Phelps Cushing/Classic-Stock/Getty Images

De Amerikaanse president Joe Biden klonk niet geruststellend. Als Poetin in Oekraïne een tactisch nucleair wapen gebruikt, zei hij onlangs, dan wacht de wereld mogelijk een „Armageddon”. De vraag is weer actueel: hoe groot is de kans op een atoomoorlog?

Iedereen die probeert die vraag te beantwoorden, zou er goed aan doen De afgrond van Max Hastings te lezen, over de crisis die ontstond nadat Sovjet-president Nikita Chroesjtsjov in 1962 kernraketten had laten plaatsen op Cuba. Het recent in het Nederlands vertaalde boek van de Britse journalist en historicus spoort analisten aan tot bescheidenheid. In oktober 1962 gebeurden er dingen die niemand had voorzien en niemand had gewild. Toch was een allesvernietigende atoomoorlog angstaanjagend dichtbij.

Neem bijvoorbeeld de gebeurtenissen op zaterdag 27 oktober 1962. Alle aandacht is op dat moment gericht op Cuba. Sovjet-leider Chroesjtsjov en de Amerikaanse president Kennedy proberen allebei escalatie te voorkomen. En dan raakt de piloot van een Amerikaanse U-2-spionagevliegtuig tijdens een routinevlucht verdwaald boven de Noordpool. Hij vliegt 500 kilometer binnen het Sovjetluchtruim. De Sovjets, die bang zijn dat de spionagevlucht bedoeld is als voorbereiding op een atoomaanval, sturen jachtvliegtuigen de lucht in. Omdat de Amerikanen vrezen dat ze U-2 te pakken krijgen, laten ze twee F-102-gevechtsvliegtuigen opstijgen vanuit West-Alaska. Normaal gesproken zouden de Sovjet-MIG’s, die alleen een boordkanon hebben, geen partij zijn voor de met raketten bewapende Amerikaanse jagers. Maar omdat de Amerikaanse krijgsmacht in verhoogde staat van paraatheid is gebracht, zijn die raketten voorzien van kernkoppen. Als het tot een gevecht komt dan kunnen de Amerikaanse piloten zich alleen verdedigen met kernwapens. Op het Strategic Air Command, het Amerikaanse legeronderdeel dat de kernwapens beheert, ‘schijnt niemand te hebben overwogen dat het beter was geweest het verlies van een ongewapende U-2 te riskeren dan aan te sturen op een vuurgevecht tussen Sovjet-vliegtuigen en Amerikaanse vliegtuigen die met zulke wapens waren uitgerust’, schrijft Hastings. Het loopt met een sisser af. De Sovjet-jagers bereiken de U-2 niet.

Lees ook: Dit boek laat zien: bij het maken van een atoombom draait alles om geopolitiek

Zestigste ‘verjaardag’

Het is hier een beetje onopgemerkt voorbijgegaan. Maar Amerikaanse media grepen de zestigste ‘verjaardag’ van de Cubacrisis onlangs volop aan voor verhalen over de vraag: wat kunnen we nu leren van die crisis?

De verschillen tussen toen en nu zijn groot. Toen duurde het zestien uur voordat de leider van Sovjet-Unie te horen kreeg dat Sovjet-soldaten op Cuba een Amerikaans vliegtuig hadden neergehaald. Toen moest de Russische ambassadeur in Washington een belangrijke boodschap voor Moskou versturen via een (gecodeerd) telegram dat werd weggebracht door een fietskoerier. ‘Nadat hij was weggefietst met mijn dringende telegram’, vertelde die ambassadeur later, ‘konden we slechts bidden dat hij het zonder uitstel naar het kantoor van Western Union zou brengen en niet zou stoppen om met een meisje te kletsen.’

Het is onmogelijk om het boek van Hastings te lezen zonder te denken aan de huidige dreiging. Hij laat namelijk zien dat het uiteindelijk niet (alleen) gaat om de techniek, maar vooral ook om de mensen die daarmee moeten werken. En de menselijk geest was én is onvoorspelbaar.

Hastings neemt de ruimte om de hoofdpersonen van toen neer te zetten. John F. Kennedy, de jonge president van de Verenigde Staten, is in 1960 onder meer verkozen door te hameren op een vermeende missile gap met de Sovjet-Unie: het idee dat de Sovjets, die als eersten een satelliet (de Spoetnik) in een baan om de aarde brachten en een mens (Joeri Gagarin) in de ruimte, ook een voorsprong hebben in de nucleaire wapenwedloop. Nikita Chroesjtsjov, een oudgediende binnen de Communistische Partij die de zuiveringen van Stalin heeft overleefd en na diens de dood de macht naar zich toe heeft weten te trekken, helpt Kennedy een handje door bij herhaling te claimen dat de Sovjets inderdaad de bovenliggende partij zijn.

De werkelijkheid is anders. De Amerikanen hebben veel meer kernkoppen. En vooral: ze hebben betere raketten. De Amerikaanse Minuteman is een ballistische raket met vaste brandstof die als voordeel heeft dat hij snel gelanceerd kan worden. Ook kan de brandstof lange tijd in de raket blijven. De Russische raketten moeten eerst worden voorzien van vloeibare brandstof. Dat kost uren. Bovendien kan die vloeistof slechts een aantal dagen in de raket blijven omdat die anders instabiel wordt. Conclusie: het raketarsenaal van de Sovjets is geschikt voor een first strike. Maar een eerste, vernietigende aanval van de Amerikanen zou voor hen desastreus kunnen zijn.

Lees ook: De geopolitieke ‘realist’ is een heerlijke talkshowgast, maar heeft ongelijk

Brullen en bluffen

Chroesjtsjov verhult zijn zwakte door te brullen en te bluffen. Als de Amerikaanse senator Hubert Humphrey in het voorjaar van 1961 Moskou bezoekt, neemt Chroesjtsjov acht uur de tijd voor hem. Aan het einde van hun gesprek vraagt de Sovjet-leider aan de senator waar hij vandaan komt. Minneapolis, zegt Humphrey. Chroesjtsjov loopt naar een grote kaart aan de muur waarop hij de stad omcirkelt en zegt: „Anders vergeet ik misschien te zeggen dat ze dit gebied moeten sparen wanneer de raketten worden afgevuurd.”

Waarschijnlijk is Chroesjtsjov op het idee gekomen om raketten op Cuba te plaatsen tijdens een verblijf in zijn datsja aan de Zwarte Zee. Met zijn verrekijker tuurt hij daar vaak over het water, in de wetenschap dat er aan de overkant, in Turkije, Amerikaanse Jupiters staan opgesteld -– raketten met een nucleaire lading voor de middellange afstand. Zijn plan is om in het geheim raketten op Cuba te plaatsen, op 150 kilometer van de VS, en zo het machtsevenwicht enigszins te herstellen. Op Cuba is in 1959 Fidel Castro aan de macht gekomen, die zich na enige aarzelingen heeft bekeerd tot het communisme.

Als je leest hoe de supermacht die Sovjet-Unie destijds pretendeerde te zijn met plakband en elastiek aan elkaar hing, dan is het ook onmogelijk om niet te denken aan alle verhalen over het falende Russische leger nu. Als Chroesjtsjov in 1959 voor een staatsbezoek naar de VS vliegt, vindt hij het geweldig om te horen dat het nieuwste Sovjet-toestel zo hoog staat dat Amerikaanse vliegtuigtrappen niet lang genoeg zijn om tot de deur te reiken. Maar ‘niemand in Moskou durfde hem te vertellen dat het hoogpotige onderstel noodzakelijk was om te voorkomen dat de motoren van het toestel vervuild zouden raken door alle rotzooi die er op de landings- en startbanen van de slecht aangeveegde Russische luchthavens rondslingerde’, schrijft Hastings.

Chaotische laadoperatie

Ook bij het transport van Russische legereenheden naar Cuba gaat er veel mis. ‘De laadoperatie was een chaos: kraankabels knapten onder het gewicht van de tanks.’ Eén schip zinkt daardoor bijna. Na aankomst blijken het Russische en Cubaanse elektriciteitsnet niet op elkaar aan te sluiten. Maar wat wel lukt: het duurt lang voordat de Amerikanen ontdekken dat de Sovjets een troepenmacht van ruim 40.000 man hebben verscheept. En dan zijn er al raketten en kernkoppen op Cuba.

Boeken over de Cubacrisis, ook dat van Hastings, hebben onherroepelijk kenmerken van een thriller. Want spannend was het. En omdat Kennedy een jaar voor de crisis opname-apparatuur had laten installeren in de Cabinet Room van het Witte Huis, waarmee hij alle gesprekken met medewerkers in het geheim liet registreren, is er een schat aan materiaal voor historici beschikbaar. Zo weten we bijvoorbeeld dat Kennedy in het begin van de crisis zijn verbazing uit over de zet van Chroesjtsjov en zegt: ‘Het is alsof wij plotseling een groot aantal MRBM’s [middellangeafstandsraketten] in Turkije zouden plaatsen. Dat zou verdomd gevaarlijk zijn, zou ik zo denken.’

Waarop zijn nationale veiligheidsadviseur McGeorge Bundy opmerkt: ‘Dat hebben we dus gedaan, meneer de president.’

Wat Hastings goed laat zien is het belang van beeldvorming. De Amerikaanse Jupiter-raketten in Turkije zijn Chroesjtsjov een doorn in het oog, maar militair zijn ze in 1962 van geen betekenis meer omdat ze verouderd zijn. Toch wil Kennedy ze niet zomaar weghalen om Chroesjtsjov tegemoet te komen, want wat voor indruk zou hij dan maken op Europese bondgenoten? En zouden Amerikaanse kiezers hem geen zwakke leider vinden, zo vlak voor belangrijke midterm-verkiezingen?

De afgrond is een soepel geschreven, spannend boek, al is de afloop van het drama natuurlijk bekend: de wereld werd niet ten gronde gericht, omdat Chroesjtsjov als eerste met zijn ogen knipperde. Schokkende nieuwe feiten staan er niet in, de Cubacrisis is in de loop der jaren al grondig onderzocht. Vorig jaar verscheen bijvoorbeeld Nuclear folly van de Oekraïens-Amerikaanse historicus Serhii Plokhy. Die had misschien wat makkelijker toegang tot Oekraïense bronnen (de kernwapens voor Cuba kwamen deels uit Oekraïne) maar een wezenlijk ander verhaal leverde dat niet op. Beide boeken zijn chronologisch opgebouwd en het aantal bronnen (naast de tapes van Kennedy zijn er volop memoires en getuigenissen van hoofdrolspelers) is sowieso overweldigend.

Max Hastings kon de actualiteit nog net verwerken in zijn boek. ‘Het lijkt niet louter nostalgisch te opperen dat Chroesj-tsjov een rationeler en meer weloverwogen Russisch leider was dan Poetin’, schrijft hij. Chroesjtsjov was volgens Hastings wel een wildebras. Maar gek was hij niet. Toen duidelijk werd dat hij Kennedy niet kon overbluffen, haalde hij zijn raketten terug. Ook al was zijn positie in het politbureau daarna zodanig verzwakt dat hij een paar jaar later het veld moest ruimen. Wie durft erop te vertrouwen dat Poetin uiteindelijk ook banger is voor een kernoorlog dan voor gezichtsverlies?

Na de Cubacrisis besloten de supermachten dat ze hun onderlinge communicatie moesten verbeteren: er kwam een telexhotline tussen Moskou en Washington, die later werd vervangen door een beveiligde e-mailverbinding.

Een les zou kunnen zijn: gun je tegenstander een uitweg, zoals Kennedy deed door een blokkade in te stellen in plaats van er meteen op los te slaan, zoals zijn generaals maar al te graag wilden. Biden lijkt zich daarvan bewust: de New York Times wist onlangs te melden dat Bidens adviseurs nadenken over een mogelijke off-ramp voor Poetin – een uitweg uit de crisis.

Geheim overleg

In 1962 werd die uitweg gevonden door geheim overleg. Los van de officiële communicatiekanalen waren er gesprekken tussen Robert Kennedy, de broer van de Amerikaanse president en minister van Justitie, en Anatoly Dobrynin, de Sovjetambassadeur in de VS. Daarin beloofde Kennedy namens zijn broer dat de Amerikaanse raketten op Turkije zouden worden verwijderd, op voorwaarde dat de Russen daar geen ruchtbaarheid aan zouden geven – een deal waarbij beide partijen iets toegaven.

De Cubacrisis was een aaneenschakeling van misverstanden. Een Russische commandant op Cuba die toestemming gaf om een Amerikaanse spionagevliegtuig neer te halen, tegen de orders uit Moskou, deed dat omdat hij dacht dat een Amerikaanse invasie was begonnen. Ten onrechte. Chroesjtsjov dacht dat Kennedy een zwakke, onervaren leider was die hij wel kon overbluffen. Dat was hij niet. En de Amerikanen dachten dat de Sovjets geen kernwapens op Cuba zouden plaatsen. Dat deden ze wel. En toen ze dat deden, dachten ze dat de Sovjets een rationele strategie hadden. Die hadden ze niet.

Het gevaarlijkste misverstand deed zich voor op 27 oktober 1962 op zee, toen de Amerikaanse marine de Sovjet-onderzeeër B-59 bestookte met dieptebommen. Het waren oefenbommen, maar de bemanning van de duikboot dacht dat ze werd aangevallen. En toen de Sovjets bovenkwamen wierpen Amerikaanse vliegtuigen lichtkogels af, om te kunnen zien wat er in het donker gebeurde, waarop een Sovjet-commandant opnieuw dacht te worden aangevallen en bevel gaf om een nucleaire torpedo in gereedheid brengen. Ook dat liep maar net goed af.

Een andere les zou dus kunnen zijn: denk nooit dat je weet wat je tegenstander denkt.