Opinie

Het is (niet alleen) de taal, stupid

Taal Liever een docent die matig Engels spreekt maar intercultureel sterk is, dan een native speaker die een internationale klas niet aankan, betoogt .
Foto Getty Images

Het jarenlange debat over taal in het hoger onderwijs blijft verzanden in de vraag of Engels überhaupt moet worden gebruikt als voertaal. Dat is een gepasseerd station. Zowel de overheid als de universiteiten hebben nagelaten het Engels in toom te houden, om de simpele reden dat ze dat niet willen. Dank u vriendelijk, maar we gaan toch liever door op het ingeslagen pad met de werving van internationale studenten en pakken er tegelijkertijd een paar plekken op de internationale ranglijsten bij. Om de moord- en brandschreeuwers gerust te stellen, schaven we hier en daar wel wat aan de regelgeving.

Een voorbeeld is de voorgestelde Wet taal en toegankelijkheid. Universteiten zouden aannemelijk moeten maken dat Engels als voertaal „meerwaarde” heeft. Voormalig minister van Onderwijs Ingrid van Engelshoven beweerde dat de wet zou helpen om de overstap naar het Engels af te remmen. In de praktijk zouden universiteiten zich vooral genoodzaakt voelen meer papierwerk in te vullen om het begrip ‘meerwaarde’ aan te tonen, alvorens toch over te stappen. Hoe dan ook: aangezien haar opvolger, minister Robbert Dijkgraaf, de voorgestelde wet prompt liet vallen, bleek de wet zelf niet meer dan een jarenlange oefening in papierwerk.

Recent heb ik met andere taalwetenschappers uit Utrecht en Amsterdam een onderzoek voor het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek uitgevoerd. We hebben bekeken hoe de kwaliteit geborgd kan worden binnen een systeem waarin Engelstalig onderwijs niet meer weg te denken is (het huidige systeem dus). Uit onze eerste inventarisatie bleek dat de overheid en universiteiten zich vooral richten op de vraag of docenten de Engelse taal op tenminste C1-niveau beheersen.

Referentiekader

Maar wat behelst dat C1-niveau? Het betekent dat je als docent geslaagd bent voor een Engelse test waarin je onder andere correct kon raden of een natuurbioloog het vertrouwen van zwarte beren zou moeten winnen, vangen, verwerven of ontvangen (terwijl hij zich duidelijk uit de benen zou moeten maken, zou ik zeggen). Voor de duidelijkheid: het behalen van C1-niveau is hartstikke knap. Maar taalvaardigheidsniveaus alleen zijn een slechte manier om te bepalen of een Engelstalig programma zal slagen: een hoog niveau is noodzakelijk maar niet voldoende.

Lees ook: Pleidooi tegen Engels is pleidooi voor provincialisme

Wat heb je verder nodig? Wat bleek uit de interviews met studenten, docenten en opleidingscoördinatoren van meerdere hogescholen en universiteiten is dat men zich het belang niet realiseert van de didactische vaardigheden die nodig zijn om les te geven in de (pas op: buzzword) ‘international classroom’. Uiteindelijk gaat het hierom: grijp een docent uit de bekrompen bushlands van Australië (ik mag het zeggen, ik kom er zelf vandaan), en zet hem voor een collegezaal in Nederland. Laten we hem John noemen. John heeft geen ervaring met het proberen te verstaan van een vreemde taal die wordt gesproken op de manier waarop hij Engels spreekt: vlotjes, met een sterk regionaal accent. Zijn culturele referenties zijn uitsluitend Angelsaksisch: woordspelingen die verwijzen naar prins Andrew of ‘ScoMo’ (precies, die kent u dus niet). John verbiedt zijn studenten om andere talen dan Engels te gebruiken in de klas. Hij beschouwt Nederlandse studenten als dom omdat ze verkeerde voorzetsels gebruiken, Chinezen als watjes omdat ze hem eerbiedig behandelen, en Saoediërs als zombies omdat ze de voorkeur geven aan uit het hoofd leren (zoals ik al zei, John is een sukkel).

Interculturele vaardigheden

Wat John nodig heeft (behalve een trap in zijn gezicht met een golfschoen, om een Australische uitdrukking te gebruiken die hij zou begrijpen) is geen Engelse training. Hij mist interculturele competenties, een inclusieve oriëntatie, waardering voor verschillende leerstijlen en taalachtergronden, en training in effectieve pedagogiek voor gebruik in een divers klaslokaal. Met zulke vaardigheden zorg je ervoor dat het gebruik van het Engels de leerresultaten van studenten niet schaadt, én een toegevoegde waarde heeft voor het opleiden van de wereldburgers van morgen, of ze nu hier of in het buitenland gaan werken.

Beheersing van het Engels, mits van voldoende niveau, is het pijnpunt niet. Interculturele didactiek daarentegen komt niemand zomaar aanwaaien

Dat ons rapport de nadruk legde op interculturele competenties en niet alleen op taal maakte het des te pijnlijker dat één media outlet de conclusies als volgt samenvatte: Internationaliseer de staf wanneer docenten slecht Engels spreken. Natuurlijk schrijven journalisten graag een pakkende kop. Het stuk leidde destijds zelfs tot Kamervragen aan Van Engelshoven over hoe de massale uitsterving van Nederlandse docenten te voorkomen. Maar de beheersing van het Engels, mits van voldoende niveau, is het pijnpunt niet. Interculturele didactiek daarentegen komt niemand zomaar aanwaaien, of je nu John, Jan(neke) of Juan(ita) bent.

Natuurlijk zal het overhalen van docenten tot interculturele vaardigheidstraining een carrot of stick vereisen. Universiteiten gaan er momenteel vanuit dat deze vaardigheden zichzelf op magische wijze verwezenlijken voor en tussen de collegebanken. Aangeboden trainingen zijn louter op vrijwillige basis, wat neerkomt op tegen docenten zeggen: natuurlijk, je bent overwerkt en onderbetaald, en vrijwel het enige dat telt voor je aanstelling zijn je publicaties, maar hier is een 40-uur durende online module Internationalize It!, gegeven door een tekenfilmvogel, misschien dat je die tijdens de kerstdagen wil volgen?

Studenten in de collegebanken hebben niet zozeer baat bij docenten die ‘alleen maar’ goed Engels spreken, wel bij docenten die weten hoe ze les moeten geven in de international classroom. Laat men daar eens Kamervragen over stellen.