Illustratie Anne van Wieren

Help, ik wil weg uit de wegwerpcultuur!

Essay Het leven duurder? Dingen zijn net iets minder ridicuul goedkoop geworden, schrijft Arjen van Veelen. En we raken de kunst van het herstellen en het koesteren kwijt.

Aan het stuur van mijn fiets bungelen drie lampjes waarvan er slechts eentje het doet. Steeds als er een lichtje uitdooft, koop ik een nieuw setje. De oude lampjes laat ik dan hangen, deels om de etters die soms lampjes jatten in verwarring te brengen, deels uit luiheid. Als dit zo doorgaat, groeit er aan mijn stuur een snoer van uitgedoofd licht: symbool van mijn gemaksverslaving.

En waarom zou het niet zo doorgaan? Bij de Action kost een setje fietslampjes maar 1,49 euro, inclusief de lithiumbatterijen. Stel dat ik een setje lampjes per winter verbruik en stel dat ik nog vijftig jaar te fietsen heb, dan ben ik voor 75 euro de rest van mijn leven verlicht. Voilà, een mensenbestaan: tachtig à negentig kaarsjes, evenzovele fietslampjes. Aan de prijs zal het niet liggen.

Toch droom ik de laatste tijd van hele dure dingen kopen. Geen luxeproducten – waarvan de waarde bepaald wordt door statusangst en slimme marketing – maar spullen die intrinsiek waardevol en waardevast zijn, bijvoorbeeld door de gebruikte kwaliteitsmaterialen of de liefde van het toegepaste vakmanschap. Ik denk dan aan de dure leren schoenen die ik in 2011 kocht en die me, na twee keer verzolen, nog steeds dragen. Hoeveel Chinese sneakers hebben ze er wel niet uit gelopen?

Toch bezit ik nog nauwelijks dure dingen. Ik koop en werp weg. Ze zeggen wel dat we in materialistische tijden leven, maar we zijn er juist in getraind om geen bal te geven om materialen. Niet alleen de fietslampjes, ook de fietsen zelf zijn al bijna wegwerpproducten geworden. Spreekwoordelijke Chinese troep. Denk aan de Swapfiets: de abonnementsfiets die je wegdoet als de band lek is. Denk aan de strooiscootermentaliteit.

Wegwerphuizen

Zelfs huizen bouwen we nu voor eventjes. In mijn stad komen nieuwe buurten vol ‘flexwoningen’: huizen die slechts tien jaar zullen meegaan. Wegwerphuizen. Pop-uptentjes. De wegwerpcultuur die in de jaren vijftig begon met de opkomst van plastic, bereikt nu pas het hoogtepunt.

Waren we maar materialistisch, dan koesterden we de wol, de stenen en het hout. Dan bouwden we vriendschapsbanden op met de dingen in de kamer. Dus droom ik van dure dingen, metgezellen. En ik droomde laatst van mijn oude fietsdynamo.

In een vorig bestaan fietste ik zelfvoorzienend. Ik had altijd mijn eigen, kleine krachtcentrale bij me. Viel de nacht over het fietspad, dan klikte je het wieltje van de dynamo tegen de band en zo kon je spierkracht omzetten in een gulle lichtkegel. Ja, je moest iets harder trappen. En zeker, de stroom viel vaak uit. Ik herinner me talloze reparaties, vaak met koude handen in de schuur: met je tanden het plastic van de elektradraad afbijten, de verf van het spatbord schuren zodat het metaal beter geleidde, het schelden als het allemaal niet lukte. Maar zelfs het getier schiep een band met het ding. En eenmaal brandend was de koplamp een zoeklicht in de nacht.

Wegwerplampjes zorgen voor een symbolische, louter juridische verlichting. Ze maken het pad niet zichtbaar. En ik wil geen fiets op batterijen, zo min mogelijk Tesla en VanMoof in mijn frame. Ik mis die zelfvoorzienende lichtbundel. Dus waarom koop ik ze nog, die elastieklampjes? Omdat mensen zwak zijn en de lampjes te goedkoop.

Men zegt weliswaar dat ‘het leven’ duurder wordt. Maar men bedoelt dat de dingen net iets minder ridicuul goedkoop geworden zijn dan ze waren. De laatste halve eeuw werd luxe beschikbaar voor iedereen: van flatscreens tot sneakers, van vliegtickets tot kippenvlees. En ja, nu stijgen de prijzen rap, maar nog steeds kun je voor bijna niets weelde je huis in slepen.

Illustratie Anne van Wieren

Canvasschilderij met ledlampjes

Kijk in de Action. Ik liep er laatst binnen, kijken of het lukte om niets te kopen. Ik passeerde moeiteloos een canvasschilderij van een ondergaande zon met ledlampjes erachter zodat de zon echt leek te schijnen. Ook de fietslampjes kon ik weerstaan, want ik had al een voorraadje. Toch ging het mis, want de Action ligt niet vol prullaria, maar nuttige dingen. Schroevendraaiers. Notitieblokken. Afwasmiddel. Allemaal zo goedkoop dat er een existentiële zuigkracht van uitgaat die geen monnik kan weerstaan. Ik kwam naar buiten met een dweil, een telefoonhouder voor in de auto en een rol pedaalemmerzakken. Totaal: 3,20 euro.

Echt blij was ik niet, want ik droomde dus van dure dingen. Maar de hele wereld spant samen opdat wij goedkope zooi blijven kopen.

Natuurlijk worden dingen duurder. Ik sprak laatst een student die om die reden regelmatig dingen steelt uit de supermarkt. Hij rekent de dure levensbehoeften gewoon niet af, vertelde hij. Sinds er zelfscankassa’s zijn, gaat dat een stuk gemakkelijker. Hij heeft een tactiek. Het stuk kaas en de stoommaaltijd gaan onder in de boodschappentas. Daarbovenop komt dan een laagje van volumineuze, goedkope producten – denk aan een zak chips – die hij wel afrekent. Bij de steekproefsgewijze controles scant de caissière toch vaak alleen de bovenste laag. Zijn vrienden winkelen ook zo, vertelde hij me. Ze vinden ‘het leven’ ook te duur geworden en pakken hun proletarische bonuskorting.

Ik zie het saboteren van zelfscankassa’s niet per se als slechte zaak. Het zijn automaten die de menselijkheid ondermijnen. Computers maken geen praatje. En die paar nog resterende caissières zijn nu verworden tot opzichters: securitypersoneel van vijftien jaar oud. Dit alles om de kas te spekken van de aandeelhouder. En die heeft de afgelopen jaren, tijdens de pandemie, genoeg winst gepakt.

Maar ik dacht ook: zelfs met de huidige prijzen kun je nog steeds voor een prikkie een pastamaaltijd bereiden. Voor wie verslaafd is aan het gemak van stoommaaltijden enzovoorts, is diefstal kennelijk aantrekkelijker dan zelf koken. De armoede bestaat niet uit geldgebrek, maar uit verloren zelfredzaamheid. Niet ‘het leven’ wordt te duur, maar de levenswijze waar we in vastzitten door onze verslaving aan goedkoop gemak.

Ik veroordeel de winkeldieven niet, ook omdat ik zelf ook steel. Ik reken weliswaar altijd netjes af, maar toch betaal ik lang niet alles. Dat heeft te maken met de wijze waarop de wereld draait: de prijzen kloppen niet. Dat we hier goedkoop gemak kunnen kopen, is omdat we de kosten hebben uitbesteed. De fietslampjes zijn symbolisch. De lithium in de batterijen komt uit mijnen in Chili of China die aldaar de natuur verwoesten. Kinderhanden – of wie weet onderdrukte Oeigoeren – hebben de lampjes in elkaar geknutseld.

Al het kwaad van deze tijd balt zich samen in die fietslampjes

Gekreukte kleren

Al het kwaad van deze tijd balt zich samen in die fietslampjes. Het veronachtzamen van ambachten, de wegwerpcultuur, de uitbuiting, de batterij als oplossing voor alles. Al koopjesjagend plunder ik de wereld voor 1,49 euro.

Tegen zulke non-prijzen is geen kruid gewassen. Daarom komen repair cafés niet écht van de grond. Daarom hebben rommelmarkten en tweedehandswinkels nog altijd iets treurniswekkends: de gekreukte kleren of de elektronica met krassen zijn er vaak duurder dan de nieuwe bij Aldi of Primark. Bijna iedereen vindt de wegwerpcultuur inmiddels verwerpelijk, maar niemand kent een uitweg. We dromen van duurzaamheid maar lopen op weggooischoenen. Deze zomer kopte de NOS: ‘Schoenmakers stoppen, want sneakerdragers komen niet langs.’ En zo raken we de kunst van het herstellen en het koesteren kwijt, zo zijn we arm geworden door de overdosis van het goedkope. En als het systeem het begeeft, zijn we pas echt hulpeloos.

De oplossing ligt in dure dingen. Want goedkoop is duurkoop. En duurkoop is vaak duurzaam. Dure dingen wapenen je bovendien tegen het woelen van de wereld. Pensioenen kunnen verdampen, de stroom kan uitvallen, maar dan heb je nog steeds je dure wollen trui, het schilderij en de zaklamp die nooit stuk gaat. Dan red je het wel. Maar waar koop je duur?

Iemand vertelde me dat zelfs Marie Kondo, de Japanse goeroe van het minimalisme, tegenwoordig een webshop heeft. Haar bekende filosofie is dat je met een handkus en een bedankje afscheid neemt van spullen waar je geen vreugde meer aan beleeft, waardoor er dus ruimte in je huis ontstaat voor betekenisvolle objecten – die ze sinds een paar jaar zelf verkoopt. In haar webshop zag ik een lamp in de vorm van een brood. Een echt brood, dat was uitgehold en daarna gelakt met antibacteriële verf. Er zat een ledlampje in. Volgens de beschrijving zorgde dit brood voor minder afval, omdat van onverkochte broden nu sierlampen gemaakt werden. Het lichtbrood was duur, 115 dollar, maar niet het dure ding waar ik van droomde. Ik zocht iets niet-cynisch: een zoeklicht in het donker.

Bij De Correspondent las ik over het boek The Retro Future. Looking to the Past to Reinvent the Future van John Michael Greer. Deze Amerikaanse schrijver en druïde stelt een „vrijwillige technologische regressie” voor: terug naar de tijd zonder computers en zonder goedkope vliegtickets. Maar met behoud van vernuft, techniek en paracetamol en zo. Een wereld op batterijen gaat ons niet helpen, stelt hij: al die Tesla’s vreten evengoed staal en kobalt. We moeten anders leven. Niet van energiebron wisselen maar van levensstijl. Door terug te gaan naar de jaren vijftig.

Dat leek me een aantrekkelijke – en op den duur misschien wel onvermijdelijke – tijdreis. Maar ik dacht ook: hoe dan, hoe kom je terug? De tijd vliegt als een pijl met weerhaken. Maar daarna dacht ik: laat ik als testcase beginnen met mijn fietslicht.

Opheffingskorting

En dus probeerde ik van de week in een bevlieging een fietsdynamo te installeren. Ik liep naar het fietsspeciaalzaakje om de hoek. Het zaakje zat er al 92 jaar, maar in de etalage hing het omineuze ‘opheffingsuitverkoop’, het ging de weg van de schoenmakers.

De eigenaar had nog wel één dynamo, voor 6 euro, met opheffingskorting. Maar toen was ik nog nergens. Ik had elektradraad nodig en batterijloze lampen. Die vond ik uiteindelijk, nota bene bij zo’n megafietsenzaak. Pas daarna ontdekte ik dat de voorvork van mijn retromodel herenfiets juist niet meer geschikt is om er een ouderwetse dynamo op aan te sluiten.

Ik won advies in bij een buurman die fietsen repareert. Hij sprak me bestraffend toe: ik had nooit een dynamo moeten kopen, het waren ondingen, nooit goed af te stellen, en bovendien niet duurzaam, omdat ze zorgen voor slijtage aan de voorband. Een ledlamp met oplaadbare batterijen was al beter. Of desnoods een naafdynamo.

Dus nu zit ik bij de pakken neer. Heb al 50 euro uitgegeven aan onderdelen, ben alleen maar verder van huis. Maar ik geef niet op, het voortbestaan van de mensheid staat op het spel. Als het me lukt om mijn fiets terug de tijd in te laten reizen, dan is de rest ook mogelijk. We hebben licht nodig op ons pad.