Door de oorlog ging Huizinga geschiedschrijving steeds meer zien als therapie

Herfsttij De schok van de Eerste Wereldoorlog veranderde Huizinga’s visie op de functie van geschiedschrijving. Dat wordt het eerst zichtbaar in zijn beroemdste werk: Herfsttij der Middeleeuwen.

Het schilderij ‘Kleine boom in late herfst’ van Egon Schiele, 1911.
Het schilderij ‘Kleine boom in late herfst’ van Egon Schiele, 1911. Illustratie Collection Leopold Museum

Johan Huizinga (1872–1945) is nog altijd de bekendste historicus die Nederland heeft voortgebracht. Zijn Herfsttij der Middeleeuwen (1919), Erasmus (1924), In de Schaduwen van Morgen (1935) en Homo Ludens (1938) leverde hem al tijdens zijn leven enorme en blijvende internationale faam op. Hij werd aan weerszijden van de Atlantische Oceaan uitgenodigd om prestigieuze lezingen te geven en correspondeerde in ten minste zes talen met bekende en minder bekende tijdgenoten. In 1937 nam hij een eredoctoraat in Oxford in ontvangst; in 1939 greep hij maar net naast de Nobelprijs voor Literatuur. Toch vermoedde Huizinga aan het eind van zijn leven dat zijn eerste grote publicatie, Herfsttij, later wel ‘als voornaamste’ van zijn inspanningen zou worden beschouwd. Hij kreeg gelijk. Onlangs werd het door Leiden University Press opnieuw uitgegeven en met de hulp van Diane Webb voor het eerst volledig naar het Engels vertaald. Maar, wat zegt het boek ons vandaag de dag? Kan een geschiedenis van de late middeleeuwen, opgeschreven door iemand die nota bene werd geboren in de 19de eeuw, ons iets leren over onze wereld?

Herfsttij der Middeleeuwen is een kind van verlies. Hoewel Huizinga er in 1906 al aan was begonnen, is het boek dat in 1919 verscheen, doordrenkt met de ‘Groote Oorlog’ en de Nederlandse beleving daarvan. Wat hij in dit boek stelde over de laatmiddeleeuwse cultuur – ‘oude beschavingsvormen sterven af terzelfdetijd en op dezelfde bodem, waarin het nieuwe voedsel vindt om op te bloeien’ – gold ook voor zijn eigen werk. Hiermee was Huizinga’s Herfsttij niet alleen een venster op een historisch tijdvak. Het was een spiegel van zijn heden – een heden dat in het teken stond van verlies.

Verdampende wereld

En hoe kon het ook anders? Met de Eerste Wereldoorlog zag Huizinga’s gehele generatie van humanistisch geschoolde, internationaal georiënteerde, al dan niet nog christelijke academici haar vertrouwde wereld verdampen. Of zij nou wel of niet bij de 72 miljoen soldaten hoorden die in Europa het strijdtoneel werden opgetrokken: een wereld van zekerheden, voorspelbaarheid en allerlei sociale conventies was voor hen opgegaan in een fundamentele onbepaaldheid. In zijn fantastische boek Tussen utopie en crisis (2021), over Nederland in het interbellum, laat Frits Boterman zien dat ook het neutrale Nederland de oorlog als niets minder dan een ‘oerkatastrofe’ ervoer. Huizinga was hier geen uitzondering op. Een eeuw nadat Nederland onder de Napoleontische bezetting uit was gekomen, herinnerde een miljoen Belgische vluchtelingen ons land aan de mogelijkheid van oorlog. Aan de onvoorspelbaarheid van de wereld. Aan – een belangrijk concept voor Huizinga – het ‘niet-weten’ waar elk mens mee moet leren leven.

Zoals wel vaker het geval is, raakte het leed van de wereld vervlochten met het persoonlijke. De plotselinge dood van zijn vrouw Mary, met wie hij vijf kinderen had, wierp Huizinga vanaf 1914 in een oeverloos verdriet. Dat hij in 1915 met zijn kinderen van Groningen naar Leiden verhuisde voor een nieuw professoraat was in het oog van de buitenwereld een mooie carrièrestap, maar voor hem zelf een vlucht uit een verleden waarin stabiele vooruitzichten eens de boventoon hadden gevoerd. In Leiden voltooide hij in die rouwstemming Herfsttij en in het voorwoord van de eerste uitgave erkende Huizinga: ‘de schaduw des doods’ was over zijn werk gevallen.

Herfsttij is een boek over de ‘verwelking’, ‘decadentie’ en ‘mechanisering’ van de laatmiddeleeuwse cultuur in Frankrijk en de Lage Landen. De cultuuruitingen van de late middeleeuwen moesten volgens Huizinga gezien worden als een omgang met een alles doorsijpelende angst voor leegte en betekenisloosheid – horror vacui. De laatmiddeleeuwse reactie op deze angst, stelde Huizinga, was een koortsachtige wildgroei aan symboliek, traditie en rituelen. Symbool werd aan symbool geregen; ritueel werd op ritueel gestapeld; en hoe meer ornamenten aan de façade verschenen, hoe meedogenlozer de angst voor de leegte zich toonde. Alles werd in het werk gesteld om leegte en stilte te vullen. De laatmiddeleeuwse cultuur, schreef Huizinga, werd kitsch, het versteende, het verwelkte. Een godvrezende huivering maakte plaats voor een angst voor betekenisloosheid – een angst die literatuur, architectuur, feest en omgangsvorm doordrenkte.

Had Huizinga het in Herfsttij alleen over de late middeleeuwen? Of had hij het ook over zijn eigen begrip van de moderne, geïndustrialiseerde wereld? Ik denk beide.

Johan Huizinga, ca. 1933. Foto ullstein bild via Getty Images

Aan het eind van de 19de eeuw was in Europa een zeker pessimisme in geleerde kringen bon ton. Klagen over de vermeende ‘decadentie’ en ‘mechanisering’ van hun tijd was gemeengoed geworden – vooral in West- en Midden-Europa. Zeker, stelden zulke auteurs, er was een vorm van vooruitgang geboekt, maar was de prijs voor moderne stadscultuur, massaconsumptie en de bureaucratische staat niet te hoog geweest? Was er nog wel ruimte voor spiritualiteit, religie, stilte en eigenzinnigheid in deze nieuwe wereld? Schrijvers van allerlei politieke pluimages vreesden van niet. De verminkende, verlammende en nietsontziende Eerste Wereldoorlog had dit beeld alleen maar bevestigd. Maar dat Huizinga ook over een middeleeuwse ‘decadentie’ schreef, impliceerde dat de moderne variant een evenknie kende – een spiegel. Deze decadentie was niet uniek, en dat inzicht kon troost bieden.

Huizinga was uiteraard niet de enige historicus of zelfs mediëvist in wiens werk de oorlog was binnen gevallen. Kenmerkend aan Huizinga’s reactie was echter dat hij het oorlogstrauma niet als louter destructief zag. Wat is heilzamer dan ‘zien hoe alles terugschommelt, niet naar een ideaaltoestand, ook niet naar een volstrekte verwerpelijkheid, maar naar een dragelijke aardsche onvolmaaktheid?’ stelde Huizinga in een college eind 1919. Natuurlijk – de verschrikkingen van de oorlog tartten de verbeelding. Maar dit was noch de eerste noch de laatste crisis die we in Europa zouden meemaken. ‘Historie [geneest] van overschatting der belangrijkheid [van] het onmiddellijk omringende’. Geschiedkundig onderzoek, zo was Huizinga gaan geloven, had een relativerende en therapeutische dimensie. Makkelijk praten voor iemand die niet in de loopgraven van Vlaanderen had gevochten? Misschien – maar daarmee nog niet oninteressant. Integendeel.

De geschiedenis, een lerares

Vóór de oorlog had Huizinga de functie van geschiedschrijving gezien als die van een waarheidsgetrouwe reconstructie van het verleden. Ergens tussen 1914 en 1918 kwam hier iets bij; Huizinga begon de geschiedschrijving óók als een pedagogische, spirituele oefening te zien. Hij was steeds meer geïnteresseerd geraakt in de stoïsche traditie, waarin geschiedenis de rol had van memento mori, een herinnering aan de eindigheid van het leven en van kennis, aan het ‘niet-weten’. Vergaan, zo redeneerde Huizinga al gauw, was bij uitstek het onderwerp van de historicus en de nieuwe uitdaging van de geschiedschrijver was om dit inzicht in dienst te stellen van deugden als nieuwsgierigheid, vergevingsgezindheid, mildheid en bescheidenheid.

Huizinga’s geschiedbeoefening – ook die in Herfsttij – werd zo een oefening in ‘serene onttrokkenheid’ en bescheidenheid. Het relativerende karakter van de geschiedschrijving werd een argument tegen de politieke stemmen van zijn tijd die de massa’s bedwelmden met utopische vooruitzichten. De ‘Groote Oorlog’ was niet de eerste kennismaking met betekenisloosheid en het zou ook niet de laatste zijn. Daar weten we in 2022 alles van. Juist utopieën waren ‘vervalverschijnselen’, meende Huizinga. In deze wereld zal u niet gered worden; neem kennis van de betrekkelijkheid van uw positie en leer bescheidenheid, rust, verantwoordelijkheid en oprechte nieuwsgierigheid – zoiets. Huizinga’s geschiedschrijving werd een hard argument voor zachte deugden. Dat begon met Herfsttij.