Recensie

Recensie Boeken

Céline toont in zijn verloren gewaande werk een rauwe wereld vol pooiers en hoeren

Louis-Ferdinand Céline Uit een stapel opgedoken manuscripten zijn twee nieuwe romans van deze Franse schrijver en antisemiet gedestilleerd. Ze laten zien hoe hij in de loop der jaren zijn geniale stijl ontwikkelde en een van de groten uit de wereldliteratuur werd.

Louis-Ferdinand Céline (1894-1961) bij zijn huis in het Parijse voorstadje Meudon, in 1955.
Louis-Ferdinand Céline (1894-1961) bij zijn huis in het Parijse voorstadje Meudon, in 1955. Foto Studio Lipnitzki/ Roger-Viollet/Hollandse Hoogte

Zestig jaar na zijn dood is Louis-Ferdinand Céline ineens weer springlevend. Op papier. Het feest begon afgelopen mei, toen een onbekende roman van zijn hand verscheen met de titel Guerre (Oorlog). Het manuscript ervan was een jaar eerder opgedoken toen oud-journalist Jean-Pierre Thibaudat van dagblad Libération met het nieuws kwam dat hij de 5324 door Céline volgekladderde vellen in bezit had, die de schrijver in juni 1944 in zijn Parijse appartement had achtergelaten. Als fanatieke Hitler-aanhanger en auteur van antisemitische pamfletten was Céline (pseudoniem van Louis-Ferdinand Des-touches, 1894-1961) in die maand met zijn vrouw halsoverkop naar Duitsland gevlucht voor de oprukkende geallieerden.

Bij zijn terugkeer in Parijs bleken de manuscripten verdwenen te zijn. Decennialang waren ze spoorloos. Totdat Thibaudet in 1982 benaderd werd door de nazaten van een oud-verzetsstrijder, die in 1945 in het appartement van Céline was getrokken en in de kelder de manuscripten had aangetroffen.

Thibaudet mocht ze hebben, op de voorwaarde dat ze pas geopenbaard zouden worden na de dood van Célines weduwe. En dat was even pech, want Lucette Destouches overleed pas in 2019, op 107-jarige leeftijd.

Lees ook: Nieuwe controverses over omstreden schrijver Céline

Guerre bleek een geweldig boek te zijn. De Franse pers had het over ‘een ruwe diamant’, ‘een geile roman’, een boek dat ‘door zijn rauwheid soms onverdraaglijk’ was. Alleen al de beginscène waarin hoofdpersoon Ferdinand (die je herkent uit Célines in 1932 verschenen debuut Voyage au bout de la nuit) in 1914 tussen de lijken van zijn kameraden bij bewustzijn komt op het slagveld in Vlaanderen, is onvergetelijk goed. Ferdinand lijkt het gevecht als enige te hebben overleefd. Om hem heen liggen de lijken van zijn kameraden. Bloed, slijm en modder spatten bijna van de pagina’s. Ferdinand is gewond, heeft hallucinaties en wordt naar een ziekenhuis gebracht. Daar ontvouwt zich een typisch furieus, ranzig en surrealistisch Céline-verhaal over oorlog, dood en seks, waarin je gaandeweg de stijl van de schrijver van de Voyage herkent.

Die oorlog zit vanaf de eerste bladzijden in Ferdinands hoofd, zoals hij op een gegeven moment ook zelf zegt, alsof de kanonnen ook ver van het front blijven donderen. En je kunt meer dan genieten van de heerlijke beschrijvingen van Ferdinands relaties met een verpleegster die de gewonde soldaten seksueel bevredigt, van zijn band met zijn ouders. En dan is er nog zijn liefde voor de prostituee Angèle, die ervoor zorgt dat haar man wordt gefusilleerd omdat ze van hem af wil. Zij gaat uiteindelijk met Ferdinand naar Londen.

Twee Italiaanse Céline-specialisten, Giulia Mela en Pierluigi Pellini, kwamen in juli van dit jaar tot de conclusie dat Guerre (waarvan de titel niet door Céline zelf, maar door uitgever Gallimard bedacht is) een ruwe schets was van een hoofdstuk uit Célines Voyage au bout de la nuit (1932), dat hij later heeft geschrapt. Volgens hen zou het dan ook nooit Célines bedoeling zijn geweest om het boek als zelfstandige roman te laten verschijnen. Daarnaast is dit manuscript duidelijk geschreven door iemand die zijn stijl nog moet vinden, al schijnt een schim van het genie van de latere Céline door het verhaal heen.

Uit de veranderende namen van de personages en het rommelige geheel kun je volgens de twee Céline-kenners ook opmaken dat het boek, zoals dat nu door de redacteuren van Gallimard wordt gepresenteerd, een assemblage is van stukken manuscript die in de recent opgedoken vellen zijn aangetroffen.

Dat is anders bij het eind oktober verschenen Londres, de tweede roman die in de manuscripten verstopt zat. Weliswaar heeft het verhaal een kop en een staart, maar toch is het als roman veel grilliger, vooral wat de stijl, de vele herhalingen en het vaak oeverloos gezever van de personages betreft. Londres (de titel is van Céline zelf) speelt zich af in Londen en lijkt het vervolg te zijn van Guerre, aangezien Ferdinand en de prostituee Angèle de hoofdpersonen zijn. In Londen, waar Angèle weer als hoer aan de slag gaat, neemt Ferdinand zijn intrek in een pension op Leicester Square waar de overige bewoners prostituee of pooier zijn. Aan de hand van zijn belevenissen schets Céline de chaotische wereld van kleine boeven en hoeren, zoals Bertolt Brecht deed in zijn Dreigroschenoper.

Er lopen zoveel personages in het verhaal rond, dat je soms de draad kwijtraakt. Dat laatste wordt nog eens versterkt door de straattaal van Céline, die je dwingt om een argot-woordenboek bij de hand te hebben en te constateren dat hij een hele reeks synoniemen voor prostituee paraat heeft.

Maar bovenal leest Londres als een verzameling anekdotes uit de onderwereld, waarbij die over een gestolen diadeem, een agressieve politiespion met de naam Bijou en de Engelse majoor Purcell, die geobsedeerd is door gasmaskers, het vermakelijkst zijn. Ook duikt in het boek zo nu en dan de legende van koning Krogold op, die je deels kent uit Célines roman Mort à credit(1936), dat samen met de Voyage zijn beste werk is. Het volledige manuscript van die door Céline verzonnen legende met als titel La Volonté du Roi Krogold bevindt zich ook in de opgedoken handschriften.

Mela en Pellini vermoeden dat het manuscript uit 1934 dateert, dus twee jaar na de publicatie van de Voyage, de roman die hem in een klap beroemd maakte, en twee jaar voor de publicatie van Mort à credit. Dat is juist zo interessant omdat Londres een oerversie lijkt te zijn van Célines in 1944 verschenen Guignol’s Band, dat min of meer dezelfde personages bevat en zich in hetzelfde Londense milieu afspeelt. Maar anders dan Londres is deze derde roman van Céline, die zich eveneens afspeelt in een crimineel Londens milieu aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, strak gecomponeerd. Daarnaast heeft het boek een helder verhaal, duidelijke ontwikkelingen en dezelfde woedende Céline-stijl, die zijn twee eerdere romans tot meesterwerken maakte. Die prangende stijl, met de systematisch aangebrachte drie puntjes aan het einde van zijn korte, ritmische zinnen, doet je in Guignol’s Band voortdurend beseffen dat het noodlot ieder moment kan toeslaan. In Londres is daarentegen van die stijl en het dreigende noodlot nog geen sprake. Eerder is de tekst veel te lang en dankzij de vele herhalingen soms ronduit vervelend.

Het enige echt opmerkelijke aan deze roman is dat de verteller sympathie heeft voor het gezin van de Joodse arts Yugenbitz. Alsof het virulente antisemitisme dat Céline in latere jaren in zijn racistische pamfletten zou bezigen toen nog wakker moest worden geschud. Maar ook van die sympathie kun je zeggen dat iedere antisemiet wel een Joodse vriend heeft voor wie hij een uitzondering wil maken. Anders dan Guerre is Londres dan ook hoogstens interessant voor de ware Céline-adepten, die nieuwsgierig zijn naar de manier waarop een literair genie ontluikt. En als je het zo bekijkt is het volop genieten.