Zwerm zonder centrale leiding

Vogel De bonte strandloper vliegt in een zwerm om zich te beschermen. Hij blijft autonoom, ziet .

De bonte strandloper.
De bonte strandloper. Foto Jaap Vuijk

Wanneer het later wordt en de lucht oranje kleurt, wordt het stiller op het strand en blijft alleen een handvol bonte strandlopers (Calidris alpina) achter, vergezeld door hun langzaam oprekkende schaduwen. Bonte strandlopers zijn fascinerende vogels, zoals zij op het ritme van de uiteenspattende en weer terugtrekkende golven als één langs de vloedlijn dribbelen, op zoek naar schelpdieren in het even droogvallende zand.

Hun synchrone bewegingen worden nog indrukwekkender wanneer een slechtvalk aan de horizon verschijnt. In een flits vliegen de bonte strandlopers op en klitten samen in een dichte wolk, vlak bij elkaar vliegend zonder elkaar te raken. Onnavolgbaar verandert de zwerm frequent van richting, snelheid, vorm en soms ook van kleur, wanneer de bonte strandlopers tegelijk zijwaarts kantelen en hun lichte buikveren tonen.

Alles in de zwerm is erop gericht de slechtvalk te belemmeren zich op één strandloper te fixeren. Vogels die in zwermen bewegen hebben een grotere kans op overleving, ook is de survival groter in het centrum van de zwerm dan aan de periferie.

Het gedrag in zwermen is onderzocht met high-speed camera’s en computersimulaties om te doorgronden hoe vogels de geëtaleerde coördinatie genereren. Duidelijk is dat er geen centrale leiding in een zwerm is; iedere vogel gedraagt zich autonoom en kan een verandering in de zwerm in gang zetten.

‘Selfish herd’

Twee gedragsuitingen vormen de basis van het vliegen in een zwerm. Om de kans door een roofvogel aangevallen te worden zo klein mogelijk te maken, bewegen strandlopers uit zelfbescherming naar het veiligste plekje; het midden van de groep. Dit ‘selfish herd’-gedrag verklaart het vormen van een zwerm en haar dichtheid, maar niet de onderlinge organisatie. De coördinatie in de zwerm ontstaat doordat iedere vogel de richting en snelheid van meerdere nabije vogels in zich opneemt en zich hieraan aanpast.

Computersimulatie van met highspeed camera’s verkregen vluchtbeelden van zwermen leert dat bonte strandlopers zich gemiddeld op zeven nabij vliegende vogels richten. Het volgen van zeven objecten in de driedimensionale ruimte is waarschijnlijk het maximum dat het strandloperbrein, miljoenen neuronen in slechts een pindagrote schedel, cognitief kan verwerken.

Gelukkig zijn de juveniele bonte strandlopers langs de waterkant zich van niets van dit alles bewust. Zij dóen gewoon. Gaandeweg zullen zij steeds beter worden in het vliegen in een zwerm en bij gevaar meer in het centrum weten te vliegen. Maar voor nu eten ze wat, warmen zich aan de laatste zonnestralen en doen een kunstje op één poot.