Waar denk je echt aan vlak voor je sterft? ‘White Noise’ ontleedt de moderne doodsangst

Komedie Noah Baumbachs verfilming van cultroman ‘White Noise’, over de moderne ontkenning van de dood, is swingend en confronterend. Don DeLillo’s ‘flow of consciousness’-stijl wordt een verbaal spervuur dat dwingt bij de les te blijven.

In het gezin van professor Jack Gladney (Adam Driver, midden) slaat ontkenning om in blinde paniek als ze getroffen worden door een chemische ramp.
In het gezin van professor Jack Gladney (Adam Driver, midden) slaat ontkenning om in blinde paniek als ze getroffen worden door een chemische ramp. Foto WILSON WEBB / NETFLIX

Ooit een bijna-dood moment gehad? Ik wel. Ruim een kwart eeuw geleden schoof mijn huurauto richting een ravijn met rotsen als haaientanden. De tijd werd stroperige slow-motion. Mijn laatste gedachte voor ik het bewustzijn verloor: „Verdomme, de auto is onverzekerd! Dat gaat geld kosten.”

Het liep goed af: door in blinde paniek vol te remmen – normaliter een afrader tijdens een slip – schaarde de auto op de kiezelstenen en vouwde zich rond een groot rotsblok. Sindsdien twijfel ik. Denk je in de laatste seconde van je leven aan je geliefden, speelt het leven zich als een film op je netvlies af? Ik weet niet wat er tijdens het echte sterven gebeurt, als het lichaam boeiende tripmiddelen als DMT aanmaakt. Maar zolang je bij bewustzijn bent, denk je aan iets vrij willekeurigs, vrees ik. We trainen onszelf immers een leven lang om niet aan de dood te denken. Waarom zou ons brein dat op het moment supreme dan opeens wel doen?

Wat we verdringen obsedeert ons heimelijk, is de teneur van Don DeLillo’s invloedrijke roman White Noise, waarmee hij in 1985 naar een groot publiek doorbrak. White Noise is nu op zeer inventieve, swingende wijze verfilmd door regisseur Noah Baumbach. Best een opgave, want al heeft White Noise plot, het ontbreekt in zekere zin aan personages. Althans: de vertelstem van professor Jack – J.A.K. – Gladney beschrijft personages, maar hoor je ze praten dan is het eerder alsof een kring Don DeLillo’s elkaar verstrikt in een verbaal spinnenweb van paradoxen, drogredeneringen, filosofische inzichten, factoïds en nonsens.

White Noise is onverminderd relevante satire op extreem consumentisme, media-overload, bangig leunen op technologie, pillengebruik, academisch navelstaren. Het volle postmoderne leven eigenlijk, dat ons voorspiegelt dat veiligheid, comfort, zelfrealisering en amusement ons geboorterecht zijn en ziekte en dood een tragedie of een monsterlijk onrecht. Tegelijk bestaat de enige zin van het leven die we nog kunnen ontdekken uit levensverlenging. Dus zijn we – ook in deze krant – geobsedeerd bezig met wat we daarvoor moeten doen en laten. De dood verstoppen we in medisch-technologische procedures, wat een gevoel van controle geeft en ook weer niet, want we weten wel beter. We gaan dood. Morgen kan een tsunami ons treffen. Rituelen en acceptatie van controleverlies geven vermoedelijk meer gemoedsrust.

Verbaal spervuur

Filmmaker Noah Baumbach probeert het in White Noise beide: De Lillo’s onderliggende thema’s ontleden én een plotgedreven film maken. Hij slaagt daarin wonderwel, op vergelijkbare, maar toch andere manier dan David Cronenberg, die in 2013 Don DeLillo’s roman Cosmopolis verfilmde. Cronenberg vertaalde DeLillo’s fluïde, ‘flow of consciousness’-stijl in een dromerige onderwaterwereld van een jonge bankier die in de bubbel van zijn limousine door Manhattan rijdt voor en knipbeurt.

White Noise van Noah Baumbach is niet dromerig, eerder episodisch, satirisch en confronterend: een verbaal spervuur dat je dwingt bij de les te blijven. Er zijn associatieve overpeinzingen, spitse dialogen en scènes die stoeien met genre en periode. Als de ramp toeslaat – het ‘airborne toxic event’ – wordt de film een Spielbergiaans sf-epos en zelfs even een jaren tachtig actiekomedie voor het hele gezin. De finale voelt eerder als Cronenberg en John Carpenter: smoezelige, claustrofobische horror. En dan moet er nog een heerlijke MTV-videoclip in een supermarkt volgen. Leef! La-la-la-la.

Het hoofdthema – moderne doodsangst – wordt direct lichtvoetig in de etalage gezet via een college over autocrashes in de Amerikaanse beeldcultuur. Ga je – net als vrijwel elke film – voorbij aan de realiteit van geplette lijven en afgerukte ledematen, dan wordt het een perfecte verbeelding van Amerikaanse onschuld en optimisme, vertelt professor Murray Siskind (Don Cheadle) zijn studenten. Steeds meer, steeds groter, steeds mooier: bergen gekreukeld chroom, oranje vuurballen, dubbele salto’s, drievoudige Rittbergers. Fun!

Dat is sarcasme op z’n Don DeLillo’s; ook zonder Aristoteles begrijp je welke angsten een cultuur op veilige wijze beleeft en afdrijft door dat oeverloze geweld en apocalyptische verwoesting waar we zo graag naar kijken. Snel, een vliegtuigcrash op tv, gilt een kind in White Noise, waarna de hele familie Gladney naar de beeldbuis snelt voor die instant-kick van catharsis. Zo’n vliegtuigcrash schudt ons een seconde wakker uit de grijze hersenmist van informatie en kleine zorgen die het nieuws, de reclame en het leven volcontinu over ons uitgieten.

Het noodlot

De plot dan nog even? Professor Jack Gladney (Adam Driver) heeft een groot, druk en gezellig gezin met Babette (Greta Gerwig). Eind jaren zestig werd Jack een magneet voor studenten en fondsen door de populaire richting Hitlerstudies op te richten; zijn schuldige geheim is dat hij nog steeds geen Duits spreekt. Jack leeft een veilig bestaan in een slaperig universiteitsstadje en een academisch milieu in de greep van hypes. Zo leent Jack zijn, en Hitlers, prestige aan zijn vriend Murray (Don Cheadle) die een Elvis-afdeling wil oprichten. Het duo trekt aandacht met een theatrale, oppervlakkige en grappige vergelijking van Der Führer en The King, die zielsverwanten blijken te zijn.

Dan slaat het noodlot toe: na een treinbotsing hang een dreigende zwarte wolk aan de horizon. Nyodine D, weet Jacks zoon Heinrich. Een bijproduct van insecticide. „Dat doodt kakkerlakken, Nyodine D doodt de rest.” Terwijl mannen in hazmat-pakken opduiken, overtuigen Jack en Babette elkaar als konijntjes in de koplampen dat er niets aan de hand is. „Om de kinderen niet ongerust te maken.” Intussen wordt de botsing opgeschaald: tot ‘airborne toxic event’ en escaleren de symptomen van hartkloppingen en een gevoel van déjà vu tot convulsies, miskramen, coma, kanker, dood.

Loeien eenmaal de sirenes, dan slaat ontkenning om in blinde paniek. In de chaotisch evacuatie zijn apocalyptische christenen en extreem-rechtse militieleden opeens getapte influencers. Jack blijkt te lang blootgesteld aan Nyodine D. „Ga ik dood ?”, vraagt hij een expert. Op zich niet, luidt zijn antwoord. Niemand weet exact wat Nyodine D met mensen doet, maar veel goeds kan het niet zijn.

Jack huivert. De dood heeft zijn lichaam gepenetreerd, het zaad is gezaaid. Al is er op de keper beschouwd weinig in zijn situatie veranderd. Ooit gaat hij dood. De derde akte – als het gezin naar huis is teruggekeerd – draait om moeder Babette. Die slikt stiekem pilletjes van het mysterieuze merk Dylar. Babette gaat zeer ver om de pillen te bemachtigen.

Wat is Dylar? Wat is Nyodine D? Het is de dood die we vrezen en de wijze waarop we die angst onderdrukken. Beide zijn synthetisch, want zo hebben wij nu eenmaal leren leven. Volstrekt kunstmatig. White Noise is een hele interessante film.