Reportage

Het aantal daklozen stijgt fors: 'Het is schandalig dat als je ergens buiten slaapt de politie je wakker maakt'

Daklozen Het Leger des Heils, de grote steden en thuislozen zelf zien een groei van het aantal daklozen. „Ze komen omdat ze denken dat deze stad hen zal helpen. Maar eenmaal hier zijn ze in shock.”

Vrijwilligers van Stichting De Vriend delen eten uit op de Koekamp in Den Haag. Er wordt soep, koffie, eten en kleding uitgedeeld aan daklozen.
Vrijwilligers van Stichting De Vriend delen eten uit op de Koekamp in Den Haag. Er wordt soep, koffie, eten en kleding uitgedeeld aan daklozen. Foto David van Dam

Met uitpuilende backpack en een fiets vol tassen sluit Delailha aan in de rij voor de soepbus in Den Haag. Ze is moe en heeft het koud. Ze leeft op straat sinds ze haar vriend verliet. De datum weet ze nog goed: 16 september. Toen stapte ze naar de buren, die de politie belden. „Ik had geen zin meer in klappen”, zegt ze. „Ik had eindelijk mijn vrijheid terug, heb al mijn geld opgemaakt aan feesten.”

Maar het feest is voorbij. Geld heeft ze niet meer, ze krijgt aan de lopende band boetes, haar voeten doen pijn, ze heeft vijf dagen niet gedoucht en veel van haar spullen, waaronder haar make-upkoffertje, zijn gestolen. Ze valt op, met haar kniehoge witte laarzen, paarsgelakte nagels, glinsterende oorbellen en een verband om haar linkerhand. Andere daklozen maken hoorbaar grappen over haar. De dakloze vrouwen nemen het op voor Delailha, die 38 jaar geleden geboren werd als man.

Delailha is een van de vele nieuwe dak- en thuislozen in Nederland. Het Leger des Heils meldde vorige week dat hun aantal het afgelopen jaar met een kwart is toegenomen. De gemeentes Utrecht en Amsterdam signaleerden al in oktober in een brief aan de Tweede Kamer een stijging. „Het aantal dakloze EU-burgers op straat neemt toe. We (..) hebben inloophuizen en opvangplekken waar deze mensen terecht kunnen.” Maar extra geld is wel nodig, schreven de gemeentes, om die personen aan werk te helpen of te assisteren bij terugkeer naar het land van herkomst.

Woensdag debatteert de Kamer met staatssecretaris Maarten van Ooijen (VWS, ChristenUnie) over zijn plannen om dakloosheid voor 2030 te beëindigen. Die ambitie is „fantastisch”, zegt Marlies Fibri, directeur van Straat Consulaat in Den Haag dat als belangenbehartiger voor dak- en thuislozen optreedt. Maar ze zet vraagtekens bij de uitwerking: „Het Rijk geeft alleen een zak geld, de gemeenten moeten het uitvoeren, maar daarop is geen controle.”

Drie jaar lang daalde het aantal daklozen. Volgens het CBS van 39.000 in 2018 tot 32.000 in 2021. Exacte cijfers over de huidige situatie zijn er niet. Maar ook buiten de vier grote steden wordt een groei van het aantal daklozen geconstateerd, onder wie jongeren en mensen met psychische problemen, zegt een woordvoerder van opvangorganisatie Wender in Groningen. Bij het Open Hof in Groningen komen bijna twee keer zoveel daklozen dagelijks een maaltijd halen als afgelopen zomer, zegt directeur Gerhard ter Beek.

In Amsterdam zijn daklozen vooral Brazilianen, Oost-Europeanen en Afrikanen; mensen met psychiatrische problemen zijn een andere belangrijke categorie. De gemeente schrijft de stijging van het aantal daklozen toe aan de inflatie, waardoor sommige mensen de huur niet meer kunnen betalen, en aan de grote schaarste aan betaalbare woningen in de Randstad.

In de extra nachtopvang die 1 december openging en die ad hoc wordt uitgebreid wegens de vrieskou, sliepen afgelopen dagen in Amsterdam 320 mensen. In Utrecht waren het er 65, in Rotterdam 113 en in Den Haag 160.

Vrijwilligers van Stichting De Vriend delen eten en kleren uit aan daklozen op de Koekamp in Den Haag. Foto David van Dam

Geen papieren

Dak- en thuislozen melden zich ook bij Kruispost, aan de Oudezijdsevoorburgwal in Amsterdam, een plek waar iedereen met medische klachten kan aankloppen. Elke week komen er zo’n 230 mensen, ook veel ongedocumenteerden, die soms wel een woonadres en werk hebben, maar geen papieren. Niemand is verzekerd. Ze geven, als ze kunnen, 5 euro cash aan de receptioniste.

Nummer 16 op maandagochtend is een ongeschoren man met een dik, blauw vest en wollen muts die de spreekkamer inzwalkt. Hij kan niet staan en ploft neer op een stoel. Hij is bij Kruispost gebracht door een vrijwilliger van de Regenboog, die hulp geeft aan daklozen. Heel ziek, bleek in de nachtopvang. Na een snelle check belt de huisarts het ziekenhuis: daar moet hij heen. Ze denken aan een alvleesklierontsteking – wat ernstig kan zijn.

Tonnie Janmaat, gepensioneerd verpleegkundige, vangt de patiënten op en schrijft ze in. Checkt of ze niet eerder zijn geweest, onder een andere naam of geboortedatum.

De zwalkende man is er het ergst aan toe, althans fysiek. Een jonge Marokkaanse man die staat te schreeuwen bij de deur, heeft vier nachten niet geslapen, roept hij. En dat is, volgens hem, de schuld van de vrijwilligers bij Kruispost. Hij vertrekt kalmer met een recept, nadat de huisarts hem heeft gezien.

Engels is de voertaal, maar dat spreekt niet iedereen, zegt Janmaat. „Sommige mensen praten hun eigen taal en als je het niet verstaat, praten ze gewoon door in die taal.” Janmaat is kalm en zakelijk, terwijl ze de inloopchaos in goeie banen leidt. „Gaat u maar even zitten”; „Nee, uw vrouw moet echt zelf komen voor een afspraak met de verloskundige.” „Wilt u even daar blijven wachten? Dank.” „Heeft u misschien ook 5 euro?” De telefoon gaat regelmatig. „U wilt overgebleven flessen nutrivoeding brengen? Graag, daar zijn we blij mee.”

Gezinnen uit het buitenland

Schurft is de klacht waar relatief veel mensen mee aankomen bij Kruispost de laatste tijd, vertelt medisch manager Steffie Jansen. Dat is besmettelijk en veroorzaakt jeuk. Sommige mensen hebben zo hard gekrabd dat ze ‘secundaire wonden’ hebben. „Laatst was er een jong Pools stel dat de wonden met wc-papier had afgebonden. Ze waren dakloos. Ik vroeg nog of ze niet liever zouden teruggaan naar Polen maar ze wilden per se in Nederland blijven. Veel Oost-Europese arbeidsmigranten hebben hier gewerkt maar hebben geen sociale rechten.”

Lees ook: Jennifer was dakloos: ‘Je moet je dom gedragen en kapotte kleren dragen om empathie op te wekken’

Er is nóg een groep nieuwe daklozen en dat zijn gezinnen – veelal alleenstaande moeders die geen ‘economische binding’ hebben met een stad en dus geen rechten.

In een brief schrijven de vier grote steden (G4) maandag aan de Kamer-commissie dat zich jaarlijks in die steden ruim 200 van zulke gezinnen melden. Sommige zijn teruggekeerd uit het buitenland, nadat ze eerst hier hadden gewoond, andere zijn gescheiden van een statushouder. „Vanwege onder meer de wooncrisis en het gebrek aan inschrijfduur [bij een corporatie] kunnen zij geen woonruimte vinden”, schrijven de vier grote gemeenten. „Vaak verblijven zij eerst tijdelijk in hun netwerk, dat na verloop van tijd uitgeput raakt. Zij melden zich dan bij de gemeente omdat zij geen onderdak hebben. Sommige gezinnen melden zich rechtstreeks vanuit het buitenland bij de gemeente voor onderdak. Het is niet mogelijk voor gemeenten om deze opvang aan iedereen te bieden.”

Fatih is een half jaar dakloos. „Het is een strijd in geduld. Je moet kalm blijven en niet doordraaien.” Foto David van Dam

Regenboogcocktail op het strand

Bij de soepbus in Den Haag staat de Poolse Arek (42). Hij leeft nu twee jaar op straat. „Ik wil wel terug naar Polen, maar heb geen paspoort en documenten”, zegt hij in het Pools. Hij ziet veel nieuwe mensen in de stad. „Ze komen uit heel Nederland naar Den Haag omdat ze denken dat deze stad hen zal helpen”, vertelt hij. „Maar eenmaal hier zijn ze in shock. Het leven is zwaar. Je moet sterk zijn.”

Onder de nieuwe daklozen zijn veel arbeidsmigranten. Polen, maar ook Spanjaarden zoals de 39-jarige Diana die vijf maanden dakloos is. Ze woonde twee jaar in Lelystad, werkte daar in een distributiecentrum en belandde op straat na een ongeval. „Het is een hard leven”, zegt ze in gebrekkig Engels. „Maar de Poolse mensen zijn nu mijn familie”, zegt ze lachend. Ze leert veel van hen. „Dat je op straat moet zoeken naar afgedankte peuken, je flesjes kunt verzamelen voor statiegeld en dat je op plekken zoals hier gratis eten krijgt.” Ze houdt het nog vol, maar de winter wordt moeilijk, zegt ze.

Ze vertoeft samen met een groep Polen, die veelal geweerd worden bij de opvang – daarvoor heb je in de regel een paspoort nodig. Onder hen zijn ook stelletjes, van wie de één wel recht heeft op opvang, maar de ander niet. Dus verkiezen ze elkaars gezelschap boven de opvang en slapen in een tent of in een van de Haagse parkeergarages.

In de rij voor de soepbus van Stichting de Haagse Soepbus. Foto: David van Dam

Maar daar wil Delailha, die vaak in een park of parkeergarage slaapt, vanavond niet heen. „Het is schandalig dat als je ergens buiten slaapt de politie je wakker maakt”, zegt ze. „Ik zoek expres plekken op waar niemand last van me heeft, ik kan mezelf toch niet wegtoveren in stof.”

Deze maandagavond is de winteropvang open, omdat het vriest. Op haar volgepakte fiets rijdt ze naar een oude school in een woonwijk, waar het Leger des Heils zo’n honderd mensen kan opvangen. „We zijn er bijna”, zingt ze. Vanavond hoopt ze op een bed en van dat fietsen „word ik ook lekker nuchter”, zegt ze lachend.

Voor de ingang van de opvang zit de 27-jarige Fatih uit Hoorn. Sinds hij vier maanden geleden uit een begeleidwonentraject is gezet, brengt hij zijn dagen door op straat. „Het is saai”, zegt hij. Wat hij doet op een dag? „Rondje lopen, rondje lopen en rondje lopen”, vertelt hij. Tussendoor zit hij op het station. Tot zes uur ’s avonds, dan gaat de opvang weer open. „Het is een strijd in geduld. Je moet kalm blijven en niet doordraaien.” Hij put hoop uit zijn geloof, de islam, en blijft van de alcohol en drugs af. „Het is moeilijk om uit de problemen te blijven, maar daarom zonder ik mij af”, zegt hij. Steun van zijn familie heeft hij niet, vrienden op straat wil hij niet.

Delailha heeft een bed gekregen, op de vrouwenkamer. Nu gaat het „kut”, zegt ze. „Maar over een aantal jaar lig ik op een prachtig mooi strand in een hangmat, met een regenboogcocktail in mijn hand en het geluid van papegaaien op de achtergrond.” Tiediediedi, doet ze het geluid van de vogels na.