Opinie

De verzetsstrijders van toen zijn meegesleurd in een identiteitsdiscussie

Verzetsmuseum Amsterdam

Commentaar

Wie bepaalt er eigenlijk wie of wat een held is? Helden zijn nodig, de keuze voor wie er een is, bepaalt immers deels een (nationale) identiteit. Die hoeft niet definitief te zijn: wie op een sokkel staat, kan daar even gemakkelijk weer van af getrokken worden. Anno 2022 gaat niemand er nog van uit dat helden onfeilbaar zijn.

Het Verzetsmuseum Amsterdam, dat vorige week de deuren opende met een vernieuwde opstelling, besloot het woord held niet te gebruiken omdat niemand alleen maar een held is. De belangrijkste reden die het museum aanvoert, is dat verzetsmensen (en nabestaanden) zelf liever niet als zodanig getypeerd wilden worden. En het is sympathiek om rekening te houden met de mensen om wie het in een museum draait. Anderzijds is het geen relevant argument: het is niet aan de held zelf om te bepalen of hij/zij een held is, maar aan de beschouwer. Door met enige nadruk afstand te nemen van die term, is bovendien een suggestie van evenwicht gewekt die niet overal goed is gevallen.

Heeft het Verzetsmuseum vooraf bedacht welke reacties de keuze zou oproepen? In de communicatie over de nieuwe opstelling is hierop het accent komen te liggen. Een historicus en een journalist in NRC zagen er een doorgeslagen relativering in. EW-columnist Zihni Özdil vroeg zich af of Hitler nu ook niet meer een ‘schurk’ genoemd mocht worden. Op sociale media lag het niveau lager en werd Hannie Schaft in verband gebracht met Zwarte Piet. De opsomming toont een glijdende schaal in argumenten tegen de keuze die het museum had kunnen zien aankomen, zeker in een tijd waarin discussies gretig in de sfeer van cultuurrelativisme en identiteit worden getrokken.

Lees ook: In verzet tegen de Duitse bezetting als mens of held?

Het voelt ook ongemakkelijk tachtig jaar na dato de daden te relativeren van mensen die wél een keuze tegen het nazisme durfden te maken terwijl er zovelen collaboreerden. Als gezegd, het woord held is al tijden aan inflatie onderhevig. Kanonneerbootcommandant Jan van Speijk werd ooit tot held gebombardeerd om de Nederlandse identiteit een gezicht te geven, inmiddels is elke voetballer die wint een held. Een held wordt gemaakt en gebruikt voor doeleinden naargelang het ons uitkomt.

Dat het Verzetsmuseum voor deze redenering koos, is weliswaar begrijpelijk maar het getuigt ook van een zekere maatschappelijke toondoofheid. Want het museum relativeert de daden van verzetsmensen geen moment. Integendeel: door ze menselijker te maken, worden de keuzes en afwegingen die ze maakten juist heldhaftiger. In het verzet gaan, wetend dat marteling of de dood je lot kan zijn terwijl je thuis zeven kinderen en een vrouw hebt; het maakt de keuze moeilijker.

Zo wordt van Hannie Schaft niet alleen een portret getoond, maar ook haar bril, haarverf en een foto van de duinen waar ze vlak voor de Bevrijding werd geëxecuteerd. Daarbij hangt een foto van de SD’er Emil Rühl, de man die haar verhoorde en tot de dood veroordeelde. Het maakt de geschiedenis van Schaft completer, juist doordat de bezoeker ook ziet wie haar de dood instuurde. Maar waarom zou je Schaft niet langer een held kunnen noemen?

Het is eigenlijk een gemiste kans: het Verzetsmuseum heeft de ‘verzetshelden’ vermenselijkt, waardoor ze in feite méér held worden. Het was beter geweest juist dat naar buiten te brengen in plaats van de nadruk te leggen op het woord held en de relativering van die term. Nu worden de verzetsstrijders van toen meegesleurd in identiteitsdiscussies, en daar hebben ze zeker niet om gevraagd.

Aanvulling (6/12): Het Verzetsmuseum zegt de term ‘held’ al langer niet te gebruiken, al lag daar in de communicatie de nadruk op. Dat is hierboven verduidelijkt.