Een kroket is helemaal niet ‘typisch Nederlands’, maar wat wél?

Identiteit Wat doen we als Nederland nu écht goed? Misschien moeten we van onze roemruchte zuinigheid onze grootste kracht maken, schrijft Mariët Meester.

Foto Getty Images

In het buitenland wordt me wel eens gevraagd wat nou typisch Nederlandse gerechten zijn. Vooral in Spanje, het buitenland dat ik het beste ken, gebeurt dat regelmatig. Ik begin dan mijn hersens te pijnigen. Kroketten? Die worden daar ook gegeten, volgens de statistieken wel zo’n honderd per persoon per jaar. Oliebollen kan ik ook niet noemen, dat zijn eigenlijk bolvormige churros, de gefrituurde Spaanse deegslierten. Zoute haring komt evenmin in aanmerking sinds ik in Estland bij iemand heb gelogeerd die er in zijn keuken eentje verorberde. Toen ik verbaasd reageerde, zei hij laconiek: „Oh, dat eten we hier de hele tijd.”

Ook op andere vlakken heeft Nederland niet al te veel ‘smoel’, en als we al smoel hebben is het vaak een verkeerde. Mijn Spaanse vrienden associëren Nederland de laatste jaren vooral met de zuinigheid van onze politici binnen de EU, daar maken ze zich zelfs vrolijk over. Veel Engelse uitdrukkingen die beginnen met het woord Dutch wijzen in dezelfde richting. Met Dutch generosity wordt gierigheid bedoeld, Dutch comfort betekent schrale troost, en wat een Dutch treat is heb ik persoonlijk ondervonden toen ik met een clubje intimi was uitgenodigd voor een verjaardagsdiner in een Amsterdams restaurant. Vlak voor de bestelling werd opgenomen riep de jarige: „Het eerste drankje is voor mij!”

Zelf lijken we ook zo onze gedachten te hebben over het land waar we wonen. Wanneer Nederlanders iets bijzonders presteren, plegen we dat ‘on-Nederlands goed’ noemen. De laatste keer dat ik deze uitdrukking tegenkwam, was toen een literatuurrecensent beweerde dat Nederlandse romans weinig voorstellen. Maar die ene, ja, die was on-Nederlands goed. Een andere Nederlandse romancier en diens vertaalster hadden toen net een Brits kwaliteitsstempel gekregen, de International Booker Prize, kennelijk was die roman ook al on-Nederlands goed. In elk ander land is deze uitdrukking ondenkbaar. Wanneer je ‘on-Engels goed’, ‘on-Duits goed’ of ‘on-Spaans goed’ invoert in Google Translate, raakt de website ontregeld en krijg je de vraag of je iets anders bedoelt.

Verkleinwoordjes, vergrootwoorden

Dubravka Ugresic, de Kroatische schrijfster die sinds vijfentwintig jaar in Amsterdam woont, vertelde me eens dat in haar voormalige thuisland de mentaliteit net als hier wordt weerspiegeld in het taalgebruik. Maar terwijl Nederlanders opvallend veel verkleinwoordjes gebruiken, probeert men in de voormalige Joegoslavische deelrepubliek alles juist enórm te maken. De inwoners onderstrepen het belang van de zelfstandigheid van hun grondgebied als het ware met vergrootwoorden. Een volkslied als het onze zou daar vast ook geen overlevingskansen hebben; alsof we Willem van Oranje zelve zijn, zingen wij over ons ‘Duitsen bloed’ en de ‘Koning van Hispanje’ die we altijd hebben geëerd. Of men in Kroatië op het idee zou komen de eigen vlag grootschalig in de publieke ruimte op de kop te hangen, is al helemaal geen vraag.

Probleem geschetst. Een fundamenteel probleem, dat niet zomaar kan worden opgelost. Maar zou er misschien toch ergens het begin van een oplossing bestaan, is er iets aan te doen zonder dat ultranationalisten en andere destructieve figuren in de kaart worden gespeeld? Hoe kijken wij naar onszelf en hoe willen we dat anderen ons zien? Kunnen we op de een of andere manier een beter verhaal voor onze natie vinden, aan welke eisen zou dat verhaal dan moeten voldoen?

De uitdrukking ‘on-Nederlands goed’ kan radicaal worden geschrapt, dat is niet zo moeilijk. Nederlanders leveren op allerlei vlakken dermate veel prestaties, ook in de kunsten, dat iemand die deze uitdrukking gebruikt voornamelijk zichzelf te kijk zet. Het veranderen van het volkslied ligt al lastiger, uit gewoonte zijn Nederlanders aan het Wilhelmus gehecht. Eerlijk gezegd kan ik zelf de tekst, waarvan de minder bekende coupletten een sterk protestants-christelijke lading hebben, niet meer uit mijn mond krijgen. Ik ben Willem van Oranje niet, ik ben een vrouw die in de eenentwintigste eeuw in een rijk geschakeerd Nederland leeft waarin religie een steeds kleinere rol speelt. Graag zou ik een neutraler volkslied zingen dat voor ons allemaal waarde heeft. De tekst daarvan moet niet ontstaan via bijdragen van ‘gewone Nederlanders’, er moet een wijze oudere publiekslieveling aan te pas komen die onomstreden is, iemand als Toon Tellegen, Boudewijn de Groot of Herman van Veen. Een van de laatsten zou dan meteen een pakkende melodie bij ons nieuwe volkslied kunnen componeren.

Belangrijkste kenmerk

Vervolgens rijst de vraag hoe we in het buitenland kunnen uitleggen welke mooie, speciale eigenschappen we erop nahouden. Uit een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau naar onze nationale identiteit, waarvan de resultaten in 2019 bekend werden gemaakt, bleek dat de meeste Nederlanders de taal ons belangrijkste kenmerk vinden. Verder werden vrijheid, Koningsdag, Sinterklaas, fietsen en molens veel genoemd, naast begrippen waarin het woord ‘oranje’ voorkomt, zoals Oranjegekte.

Waarschijnlijk is er meer nodig dan dat laatste. Oranje, prima, oranje is onze nationale kleur, bij wedstrijden dossen we ons erin uit, maar wanneer je je identiteit door sport laat bepalen maak je jezelf te afhankelijk van de kwaliteit van de sportlieden die op dat moment actief zijn. Winnen ‘wij’ een tijdje weinig, zitten we dan ineens collectief in de put? Bovendien hebben alle landen sporters, daarin zijn we niet uniek. Koningsdag en het koningshuis komen al meer in de richting, maar voldoen toch ook niet. Het betekent in feite dat we een rijke familie geweldig moeten vinden, voor een nationale identiteit is dat te mager. Om de paar decennia moeten we maar weer afwachten met welke huwelijkspartner de troonopvolger komt aanzetten, voor je het weet zitten we ineens met een koningshuis waaraan we ons voortdurend moeten ergeren.

Voor een hernieuwing van onze nationale identiteit zijn verschillende componenten nodig. Het moet in de eerste plaats om iets gaan dat een vaste waarde vertegenwoordigt. Ook moeten we er allemaal aan kunnen bijdragen, het moet iets niet-competitiefs zijn dat verbindt, iets dat boven iedere twijfel of toevalligheid verheven is. Het moet telkens terugkeren of voortdurend aanwezig zijn, niet één dag per jaar zoals de Dodenherdenking of Sinterklaas. En iedere generatie moet zich erin kunnen vinden.

Foto Getty Images

Waarschijnlijk kunnen we het beste zoeken naar iets dat allang met ons verweven is, ook al is dat misschien latent. In gedachten heb ik meerdere mogelijkheden gescand. Volgens de SCP-enquête vinden we de taal dus een van onze belangrijkste kenmerken. We mogen wat dat betreft inderdaad niet klagen, het Nederlands is een middelgrote taal die door maar liefst drieëntwintig miljoen personen wordt beheerst, terwijl mijn haringetende gastheer in Estland, een aldaar bekende schrijver, moet werken voor een potentieel publiek van slechts één miljoen taalgenoten. Het punt is alleen dat een taal een drager is, een medium. Taal is geen inhoud, die moeten we zelf in de woorden leggen, het Nederlands sec valt dus af. Bovendien wordt er ook in België Nederlands gesproken.

Het volgende waaraan ik dacht was natuurlijk water. Internationaal staan we bekend om onze dijken, onze grachten, onze polders en onze waterkeringen. Hoe dan ook kunnen wij toveren met water, door de klimaatverandering zullen heel wat landen ons er binnenkort voor nodig hebben. Dit thema compromitteert niet, dat moet de reden zijn dat onze koning het heeft gekozen toen hij een invulling zocht voor zijn kroonprinsschap.

Maar water heeft toch een nadeel: in Amerika mag men dan denken dat Hansje Brinker ooit een ramp heeft voorkomen door zijn vinger in een dijk te steken, mythes als deze kennen we nauwelijks in Nederland. Ook verder heb ik niet de indruk dat water voor ons dimensies heeft die een zekere gelaagdheid aan ons verhaal kunnen geven. Het wordt te geforceerd als je dat dan toch probeert.

Paradepaardje: tolerantie

Een andere mogelijkheid waaraan ik dacht blijkt evenmin te voldoen. Ons paradepaardje is een tijdlang de tolerantie geweest, niets voor niets werd het begrip vrijheid in de enquête zo vaak genoemd. In de jaren zestig en zeventig begonnen we te zeggen wat we wilden, verdraagzaamheid werd ons grootste goed. Veel buitenlanders kennen ons nog steeds zo, of ze denken ons zo te kennen, terwijl de realiteit allang een andere is. Juist met dit aspect van onze identiteit is het momenteel matig gesteld, vooral doordat we het moeilijk vinden – en terecht – om tolerant te zijn voor mensen die zelf niet tolerant zijn. Gezien de huidige stand van zaken zou het oppoetsen van het fenomeen tolerantie een taaie kwestie worden.

Pas tijdens het lezen van het boek Nederland. Een objectief zelfportret in 51 voorwerpen kwam mijn eureka-moment. In deze bundel uit 2015, die is samengesteld door Wim Brands en Jeroen van Kan, geven Nederlandse auteurs in on-Nederlands goede stukken (grapje) hun visie op iets dat we allemaal kennen, zoals de kaasschaaf, de fiets, de koektrommel, de spaarzegel en de boterham.

Ineens zag ik het. Veel typisch Nederlandse voorwerpen draaien rond het slim gebruikmaken van je mogelijkheden om verspilling tegen te gaan. Met een kaasschaaf snij je zo dun mogelijke plakjes, per fiets verplaats je je op eigen kracht. Ook de yoghurtuitdruiper en de stamppotstamper staan in het boek, allebei bedoeld om restjes op te maken. Geld besparen door handig met schaarse middelen te goochelen is ons wezenskenmerk; niet voor niets hebben we ingenieuze manieren uitgevonden om op een relatief klein grondgebied, waarvan we een deel op de zee hebben gewonnen, zo welvarend te zijn als we zijn geworden.

Kunnen we dit niet uitbouwen? Is het gedrag van onze politici binnen de EU niet gewoon een vorm van gezond verstand? Moeten we niet stoppen met lacherig doen over deze Nederlandse eigenschap? Is het een idee om onze zuinigheid om te buigen tot onze grootste kracht? Zowel een kaasschaaf als een koektrommel zijn perfect, waarom zou je al je eten tegelijk verorberen? De boterham valt binnen dezelfde categorie, een boterham is een goede en goedkope lunch die weinig ruimte inneemt. Voedsel is kostbaar, ga er dan ook op die manier mee om. In het vervolg vertel ik in Spanje over onze stamppot en de geraffineerde vormgeving van de bijbehorende stamper.

Ook veel andere spullen die deel van het dagelijks leven in Nederland uitmaken, vertegenwoordigen een vernuftig gebruik van materie. Je maakt iets van weinig, dat wat je tot je beschikking hebt zet je zo effectief mogelijk in. Laat nou net deze eigenschap in deze tijd het meeste nodig zijn. Ons aller voortbestaan hangt er zelfs van af, wat er meteen een hogere dimensie aan geeft. Nu we als mensheid op weg zijn naar een punt waarop we dat wat de aarde ons biedt bijna hebben opgebruikt, worden we meer en meer afhankelijk van een hoogwaardige omgang met grondstoffen.

Een intelligente behandeling van het schaarse dat we nog hebben is wereldwijd de belangrijkste uitdaging, zouden we als Nederlanders het nieuwe verhaal niet in die richting kunnen zoeken? We bedenken dat verhaal dan niet alleen voor onszelf, dat zou te kaal en te leeg zijn, we doen het ook uit idealisme, uit een zekere morele gedrevenheid, voor de toekomst van onze en andermans kinderen.

We stellen een voorbeeld terwijl we er zelf ook voordeel van hebben, eigenbelang verrijken we met altruïsme, dat kennen we toch al eeuwen. Allemaal staan we erachter, zelfs de vervelendste nationalist herkent zich erin. Koningsdag mag dan niet oké zijn, de vrijmarkt is dat wel, de vrijmarkt betekent dat we overblijfselen opruimen en te gelde maken. Wie wordt daar nou niet blij van?

Kijk ons nou toch eens!, zullen we elkaar dan over een jaar of tien met een milde glimlach vertellen. Wat doen wij dat goed, hè? Echt Nederland weer. We besparen en verdienen, ze imiteren ons nu allemaal.