Reportage

Deze ex-varkenshouder kweekt nu vis, maar kan die niet aan Nederlandse supermarkten kwijt

Duurzaamheidskeurmerk In het Brabantse Son kweekt een voormalig varkenshouder vis. Zijn bedrijf is te klein voor een ASC-duurzaamheidskeurmerk. Dus is zijn vis wel in Duitsland te koop, maar niet in Nederland.

Van kweken tot fileren en verpakken: Brabantfish in Son doet het allemaal zelf. „We proberen het hier zo duurzaam mogelijk te doen. We hebben geen geheimen”, aldus Frank Foolen.
Van kweken tot fileren en verpakken: Brabantfish in Son doet het allemaal zelf. „We proberen het hier zo duurzaam mogelijk te doen. We hebben geen geheimen”, aldus Frank Foolen. Foto John van Hamond

Op het eerste gezicht lijkt het bedrijf van de familie Foolen in het Brabantse Son een gewone boerderij. Achter een grote schuur staan voersilo’s. Vader Toon Foolen rijdt langs op een tractor. Een herdershond bewaakt het terrein van zo’n 1,5 hectare. „We blijven boeren”, lacht middelste zoon Frank, die klompen draagt.

Maar het gezin – vader, moeder, drie zoons – runt geen doorsnee boerenbedrijf. Als kind vertelde Frank Foolen (31) op school trots dat ze thuis varkens én palingen hadden. In zijn omgeving was het niet bijzonder kind van een varkensboer te zijn, die heb je volop in Brabant. Een boerderij met vissen daarentegen, daarvan was er maar één.

Moeder Annemiek en zoon Frank zitten in hun kantoor. Door een raam is de verwerkingswerkplaats te zien – de plek waar de vissen gefileerd en verpakt worden. Op de achtergrond ‘trimmen’ medewerkers aan een lopende band de vis; ze verwijderen de laatste graatjes.

„Eind jaren negentig waren veel andere varkenshouders druk bezig hun schaal te vergroten”, vertelt Annemiek. Zij en haar man hadden toen met tweeduizend varkens een middelgrote veehouderij. „Het zou niet lang meer duren of we zouden achter gaan lopen op de rest. We zagen twee opties: de capaciteit vergroten, net als de rest, of investeren in iets anders.”

Ze besloten te investeren in een viskwekerij omdat de ‘voerconversie’ – de hoeveelheid voer die nodig is om een kilo vlees te produceren – bij vis een stuk gunstiger is dan bij varkens. Om één kilo varkensvlees te produceren is zo’n 2,5 kilo voer nodig – en voer is een van de grootste kostenposten. Voor een kilo Claresse, een kruising tussen twee soorten meerval, is 0,8 kilo voer voldoende.

Bijna tien jaar deden ze het naast elkaar: varkens houden en vis kweken. Inmiddels zijn alle varkens weg. Het bedrijf heet nu Brabantfish. Wekelijks produceren ze vijftigduizend kilo vis. Het bedrijf heeft iets meer dan twintig werknemers. De jaaromzet is 4 miljoen euro.

Het heeft veel inspaning gekost om te komen waar ze nu zijn, vertelt Annemiek. „In Nederland was heel weinig kennis over vis kweken op het land.” Toon ging op zijn 39ste, naast zijn werk op de varkenshouderij, een dag per week stage lopen bij een palingkweker. En hij volgde een cursus vis kweken in Helmond. De rest moesten ze zelf uitvogelen door „gewoon” te proberen. „We woonden dag en nacht in de kwekerij. Soms hebben we nachten niet geslapen omdat we de vissen in de gaten wilden houden.”

Foto John van Hamond

Geen vakantie

Frank, vijf jaar oud toen ze met palingen begonnen, herinnert zich dat ze in de beginfase nooit op vakantie gingen. „We konden de palingen niet alleen laten.” Na school waren hij en zijn broers Geert en Mark altijd in de kwekerij te vinden. Dan stonden ze paling te sorteren of te voeren. „’s Avonds in bed voelde het soms nog steeds alsof ik met mijn handen door de glibberige palingen heen ging.”

Door de jaren heen probeerden ze verschillende vissoorten uit. Tilapia volgde op de paling, en uiteindelijk kwamen ze uit bij de meervalsoorten die nu samen de Claresse voortbrengen. Paling kweken bleek te moeilijk en niet duurzaam. Bij de tilapia viel de verkoop tegen. Met de Claresse zijn ze erg tevreden. „Die is geschikt voor een breed publiek”, zegt Annemiek. „De smaak is niet zo vissig. En met een winkelprijs vanaf zo’n 15 euro per kilo is het een relatief goedkope vis.”

Maar van de vissen die Brabantfish kweekt, ligt er geen enkele in Nederlandse supermarkten. Die verkopen alleen nog kweekvis met een ASC-duurzaamheidskeurmerk. ASC is een internationale keurmerkorganisatie die kwekers controleert op hun omgang met milieu, water en natuur en met de mensen en de vis op de kwekerij. Nederlandse supermarkten introduceerden het keurmerk van ASC vanaf 2012.

Dat keurmerk kan de vis van de Foolens niet krijgen. Niet zozeer omdat de vis niet aan de eisen voldoet, maar omdat ASC geen standaard heeft om de duurzaamheid van de Claresse te kunnen toetsen. Dat houdt verband met het kweekvolume, zegt een woordvoerder. „ASC heeft geen standaard voor de Claresse omdat de schaal van de productie van deze soort klein is.” In Nederland is Brabantfish de enige die deze soort kweekt. Gevolg is dat in de Nederlandse supermarkten bijvoorbeeld wel in Vietnam gekweekte pangasius, ook een meervalsoort, te koop is, maar geen lokaal geproduceerde Claresse.

Frank Foolen, verantwoordelijk voor de verkoop, komt weliswaar geen klanten tekort – in Duitsland en Polen is de vraag groot genoeg – maar zou zijn vis veel liever aan Nederlandse supermarkten verkopen. „Het is zonde dat onze vis nu veel verder moet reizen om verkocht te worden, terwijl hier een supermarkt om de hoek is waar die zo naartoe zou kunnen.” Hij probeert ASC al jaren zover te krijgen een standaard voor zijn vis te ontwikkelen. „Ik heb zelfs weleens gevraagd of ik ervoor kan betalen.”

Lees ook: Voor wie het lukt paling te kweken, liggen miljoenen in het verschiet

Huidresten

De familie denkt met haar kwekerij wel duurzaam en diervriendelijk bezig te zijn. Zo verdoven ze de vis met een stroomstoot voordat die wordt gedood, zoeken ze met hun voerleverancier naar manieren om de vissen alleen plantaardig te voeren en proberen ze zo min mogelijk vis weg te gooien door de huidresten te verkopen aan make-upproducenten, die er collageen uit halen. Verder liggen er bijna tweeduizend zonnepanelen op het dak en verwarmen ze de kwekerij met warmtepompen.

Dat Brabantfish de Nederlandse supermarkten als klant verloor, weerhield de familie er de afgelopen jaren niet van het bedrijf uit te breiden. Aanvankelijk was het slechts een kwekerij, waar kleine visjes uitgroeien tot volwassen vissen. Inmiddels vindt er ook de breeding plaats, het stadium voor de kweek waarin eitjes uitgroeien tot babyvissen. De verwerking ten slotte – fileren en verpakken van de vis – gebeurt eveneens op het terrein. Frank wil graag alles laten zien. „We proberen het hier zo duurzaam mogelijk te doen. We hebben geen geheimen.”

Terwijl hij de ruimte met bassins vol viseitjes in loopt, vertelt hij over zijn „broertje Geert”, de kweker. „Die is verantwoordelijk voor de breeding en de kwekerij. Dat betekent dat hij de hele dag bezig is met hoe het met de vissen gaat.”

In de ruimte is weinig licht en het is er warm. Om de vissen te laten groeien, moet de temperatuur hetzelfde zijn als in een tropisch regenwoud, de natuurlijke leefomgeving van de vis. Het ruikt naar aarde. Die geur valt Frank na al die jaren niet meer op. „Maar mijn broertje kan aan de geur van de ruimte merken of er iets mis is met de vissen.”

Foto John van Hamond

Voortplanten

Door de jaren heen heeft kweker Geert een bruikbare methode ontwikkeld om de vissen zich te laten voortplanten in een plastic bakje. Om incest te voorkomen, zijn de vaders en moeders gechipt. Geert houdt van elke gekweekte vis bij of die de gewenste vorm en dikte heeft. Op basis daarvan weet hij precies welke vader en moeder een goede ‘match’ zijn.

De bevruchting doet Geert handmatig. „Voor een natuurlijke voortplanting zouden de vissen veel meer ruimte nodig hebben”, legt Frank uit. „En nu weten we zeker dat het juiste mannetje en vrouwtje zich met elkaar voortplanten.”

De kweker „strijkt” daarom de eitjes uit de moedervis en vangt die op in een bakje. Bij het mannetje „tapt” hij het sperma af. Dat voegt hij toe aan het bakje met eitjes – hoeveel maakt eigenlijk niet uit, er is „altijd genoeg sperma”. De bevruchte eitjes legt hij in een bassin. Na ongeveer 24 uur komen ze uit.

Een week later gaan de visjes naar een grotere bak. Om zeker te weten dat de vissen niet te veel of te weinig eten, voert Geert ze in de beginfase handmatig. Dat doet hij ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds. En nog een keer rond elf uur, vlak voor hij zelf naar bed gaat. Omdat de vissen voortdurend zorg nodig hebben, woont de hele familie binnen een paar honderd meter van de boerderij. Geert woont zelfs op hetzelfde terrein als de vissen. Als er iets met ze aan de hand is, is hij er als eerste bij.

Naarmate de vissen groeien, verplaatst de kweker ze naar steeds grotere bassins. Tot ze na zo’n half jaar anderhalve kilo wegen en klaar zijn om gefileerd te worden. Na het laatste bassin gaan de vissen per lopende band naar de verwerking.

Vanuit de kwekerij komen de vissen via een luik een voor een de koude verwerkingsruimte binnen. De lopende band legt ze onder de stunningmachine. „Daar krijgen ze een stroomstoot”, laat Frank zien. „Dan zijn ze voor vijf tot tien minuten verdoofd.” Vervolgens gaan ze naar de „ontkopper”. Die machine snijdt de kop eraf en haalt de ingewanden eruit. De dode vis, nog op 26 graden vanuit de warme kwekerij, belandt daarna in de „koeltrommel”, met nul tot twee graden koud water. Uiteindelijk moet de vis immers ingevroren of gekoeld bewaard worden.

Als de vis koud genoeg is, gaat die naar de fileermachine. Die snijdt met „een twaalftal messen twee filetjes zo dicht mogelijk van de graat af”. Pas als de onthuider de huid eraf heeft gehaald, komen er mensenhanden aan te pas. Zo’n tien medewerkers trimmen de vis met een mes: ze halen er de laatste stukjes huid en de laatste graatjes vanaf. Ten slotte wordt de vis schoongespoeld met water, gesorteerd op gewicht en verpakt. Nog dezelfde dag gaat hij per vrachtwagen naar vooral Duitsland en Polen.

Foto John van Hamond

Toekomst onzeker

Frank hoopt nog altijd dat ASC een standaard voor de Claresse ontwikkelt. Want nu blijft de toekomst van het bedrijf onzeker. „Als Duitsland, onze grootste afzetmarkt, het voorbeeld van Nederlandse supermarkten volgt, is het voor ons klaar.”

De oplossing lijkt na al die jaren wachten misschien simpel: een andere vissoort kweken, waar ze wel een keurmerk voor kunnen krijgen. Maar dat is geen optie, zegt Frank. „Ons hele bedrijf is nu al jaren ingesteld op de Claresse. Hier hebben we kennis over. Het zou opnieuw bakken tijd en geld kosten om een andere vissoort te gaan kweken.”