Reportage

Het was er koud en vies. Maar tien jaar later is de erfenis van de Amsterdamse Vluchtkerk groter dan gehoopt

Spraakmakend initiatief Tien jaar geleden werd in Amsterdam een kerk gekraakt voor dakloze ongedocumenteerden. Activisten en bewoners over de erfenis van de de Vluchtkerk. „We boden geen valse hoop.”

Uitgeprocedeerde asielzoekers verbleven eind 2012 in de gekraakte Sint-Josephkerk, voor de gelegenheid omgedoopt tot De Vluchtkerk.
Uitgeprocedeerde asielzoekers verbleven eind 2012 in de gekraakte Sint-Josephkerk, voor de gelegenheid omgedoopt tot De Vluchtkerk. Foto Ilvy Njiokiktjien/ ANP

Rond zes uur ’s avonds forceerden de krakers de toegangsdeuren van de Sint-Josephkerk, een betonnen gebouw uit de jaren vijftig in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer. Niet veel later kwam een touringcar voorrijden. Aan boord uitgeprocedeerde asielzoekers, afkomstig uit alle windstreken – Somalië, Soedan, Ethiopië, Afghanistan. Vanaf dat moment stond de Sint-Josephkerk bekend als de Vluchtkerk.

Het was een spraakmakend initiatief dat op 2 december 2012, vorige week tien jaar geleden, geboren werd. Tachtig, honderd, later honderdtwintig dakloze ongedocumenteerden die bivakkeerden in een gekraakte kerk, ondersteund door een groep actievoerders. Ze zouden er de hele winter blijven, met goedkeuring van de eigenaar en gedoogd door het Amsterdamse stadsbestuur.

De Vluchtkerk maakte ontzettend veel los. Buurtbewoners kwamen in groten getale langs met eten en kleding. Journalisten liepen de deur plat. Politici togen naar de kerk om te pleiten voor een humaner asielbeleid: Tweede Kamerleden brachten zelfs de nacht door in de kerk.

„Wij zijn hier”, stond op een groot spandoek op de voorgevel van de kerk. Een paar weken na de kraak was er een groot kerstdiner, met 750 bezoekers en optredens van Arie Boomsma, Akwasi en Anouk.

Voor het eerst kregen uitgeprocedeerde asielzoekers – en de vaak erbarmelijke omstandigheden waarin ze leefden – een gezicht. Toen de ‘bewoners’ in april 2013 uit de kerk vertrokken, stond het probleem van dakloze ongedocumenteerden stevig op de politieke en maatschappelijke agenda – en bleef daar. Al was het maar omdat de groep nog jaren door Amsterdam zou trekken, van het ene kraakpand naar het andere. We Are Here, noemden ze zichzelf.

Ik ging daar iedere avond weg met de gedachte: ik hoop dat er niemand doodvriest

Savannah Koolen actievoerder

Tentenkamp

Het verhaal van de Vluchtkerk begon een paar kilometer verderop in Amsterdam Osdorp. Daar was in het najaar van 2012 uit protest een tentenkamp ontstaan van illegalen die nergens heen konden. Een van de bewoners was Mohammed Idi, destijds 28, uit Kenia. Enkele jaren eerder was hij zijn land ontvlucht nadat hij had deelgenomen aan politieke protesten. Idi’s asielaanvraag was afgewezen, sinds anderhalf jaar zwierf hij door Amsterdam.

Het tentenkamp in Osdorp moest worden ontruimd, vond toenmalig burgemeester Eberhard van der Laan. De omstandigheden waren beroerd en de winter kwam eraan. De kampeerders konden tijdelijk onderdak krijgen op andere plekken in het land. Maar ze gaven geen gehoor aan Van der Laans eis - ze lieten zich liever collectief arresteren. „We dachten: als we bij elkaar blijven, dan komt er misschien een oplossing voor de héle groep”, zegt Mohammed Idi.

Dit was het moment dat de activisten in actie kwamen - en de Vluchtkerk het licht zag. Een nogal divers gezelschap was het, dat schuil ging achter het project: krakers, radicale no border-activisten, een documentairemaker, een feministisch activiste, twee journalisten en een theoloog. Ondanks hun uiteenlopende achtergronden hadden ze een gemeenschappelijke overtuiging, vertelt Savannah Koolen, destijds student en actief binnen de jongerenbeweging van GroenLinks: „We vonden het onacceptabel dat mensen onder zulke erbarmelijke omstandigheden in Nederland leefden.”

Comfortabel of romantisch was het in de Vluchtkerk absoluut niet. Er werd een geïmproviseerde verwarming aangelegd, stadionlampen zorgden voor enige verlichting. Op het altaar werd gekookt en in de zijbeuken van de kerk kwamen houten slaapkamertjes voor de bewoners. Maar ondanks alles bleef het in de Vluchtkerk koud, vies en donker. Bewoners werden ziek, bezatten zich of kregen onderlinge conflicten, die soms uitmondden in vechtpartijen. „Ik ging daar iedere avond weg met de gedachte: ik hoop dat er vannacht niemand doodvriest”, zegt Koolen.

We dachten: laten we bij elkaar blijven. Dan komt er wellicht een oplossing voor de héle groep

Mohammed Idi oud-bewoner Vluchtkerk

‘Uitgeput en teleurgesteld’

Toch was er ook optimisme. Er werd een film gemaakt en een voetbalteam opgezet. Een We Are Here-band trad op in Paradiso. Zoveel aandacht voor de kerk, dachten de actievoerders en bewoners, zou vanzelf leiden tot een oplossing. „Als de politiek eenmaal zag hoe uitzichtloos de situatie van deze mensen was”, zegt Savannah Koolen, „zou er een generaal pardon komen voor deze groep.”

Die hoop bleek ijdel. Toen de ongedocumenteerden de kerk in april 2013 moesten verlaten, was er geen collectieve oplossing. Het einde van de Vluchtkerk bleek het begin van een jarenlange odyssee door Amsterdam. De groep illegalen splitste zich op en trok naar andere kraakpanden: de Vluchtflat, de Vluchtgarage, het Vluchtkantoor, de Vluchtloods, de Vluchtmaat. We Are Here kraakte tientallen woningen en kantoorpanden in de stad – alleen al in 2018 waren het er 39, zo berekende Het Parool.

Ook Mohammed Idi trok van kraakpand naar kraakpand. Hij verbleef in die jaren op meer dan tien verschillende locaties, zo schat hij. „Ik kan ze niet meer in de juiste volgorde zetten.”

Door de uitzichtloosheid en steeds negatievere berichtgeving in de media verdween de energie en het optimisme uit de beweging. De groep viel steeds verder uiteen. Sommigen ongedocumenteerden gingen naar de nachtopvang die de gemeente had geopend. Anderen kregen na enkele jaren alsnog een verblijfsvergunning. Wéér anderen gaven het op en vertrokken naar een ander land. Mohammed Idi dacht ook een tijdje aan weggaan. Misschien naar Duitsland? „Ik was uitgeput en ontzettend teleurgesteld. Maar mensen zeiden tegen me: als je naar Duitsland gaat, wordt je teruggestuurd naar Nederland, en kun je weer vanaf nul beginnen.”

Een kleine groep activisten, onder wie Savannah Koolen, bleef de ongedocumenteerden steunen. Ze vonden nieuwe kraakpanden, regelden eten, verspreidden persberichten, begeleidden zieke bewoners naar de dokter. Maar de kraakacties van We Are Here gingen steeds vaker gepaard met onrust. Het leidde er zelfs toe dat burgemeester Femke Halsema besloot om het kraakbeleid aan te scherpen wegens „toenemende verruwing”.

Lees ook hoe We Are Here er in 2017 voor stond

Van veilig naar onveilig

En nu? Tien jaar later is de erfenis van de Vluchtkerk groter dan de betrokkenen in de tussenliggende jaren hadden durven hopen. Twee zaken springen in het oog.

Om te beginnen heeft een groot deel van de bewoners van de Vluchtkerk alsnog een verblijfsvergunning gekregen. Savannah Koolen gaat uit van „tachtig tot negentig procent”: op een groepsfoto van zestig bewoners die een week na de kraak is genomen, ziet ze slechts een handjevol mensen dat nog steeds geen status heeft. Andere betrokkenen van destijds schatten het aantal oud-Vluchtkerk-bewoners met papieren lager in, maar ruim de helft tot tweederde lijkt een veilige schatting.

Hoe dat kan? In de loop der jaren veranderde de status van het land of regio van herkomst van sommige uitgeprocedeerde asielzoekers van „veilig” in „onveilig”. Anderen lukte het om toch de benodigde documentatie te verzamelen die ze bij aankomst in Nederland niet hadden.

„Toen wij begonnen met de Vluchtkerk”, zegt Savannah Koolen, „kregen we van tegenstanders het verwijt dat we de ongedocumenteerden valse hoop boden. Dat argument blijkt dus voor een aanzienlijk deel van die mensen niet op te gaan.”

Een groot deel van de bewoners van de Vluchtkerk kreeg in de loop van de tijd een verblijfsstatus

Nieuwe aanvraag

De tweede erfenis van We Are Here is breder: er is een min of meer fatsoenlijke opvang gekomen van ongedocumenteerden door de overheid. In 2018 bedongen vijf grote steden bij het Rijk een pilot voor 24-uursopvang van uitgeprocedeerde asielzoekers. De motor achter deze deal was de Amsterdamse wethouder Rutger Groot Wassink (GroenLinks).

Sindsdien beschikken Amsterdam, Eindhoven, Groningen, Rotterdam en Utrecht over een Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV), waar ongedocumenteerden kleinschalig worden opgevangen voor maximaal anderhalf jaar. Ze krijgen leefgeld en worden begeleid bij een herhaalde asielaanvraag óf vrijwillige terugkeer. Het idee: met een dak boven hun hoofd en even geen dagelijks stress meer zijn veel uitgeprocedeerden alsnog succesvol in hun asielprocedure.

Voor Mohammed Idi bleek dit te kloppen. Na zijn jarenlange omzwervingen kwam hij terecht in een LVV in de Amsterdamse buurt De Pijp, waar hij een nieuwe asielaanvraag deed. Vijf maanden geleden kreeg hij, twaalf jaar na aankomst in Nederland, een verblijfsstatus. In een asielzoekerscentrum in Almere wacht hij nu op een woning.

Van de Amsterdamse LVV-deelnemers die opnieuw een asielaanvraag doen, krijgt 80 procent alsnog verblijfspapieren, zo blijkt uit cijfers van de gemeente. Een vorige week verschenen landelijke evaluatie van de LVV schetst een minder hoopgevend beeld: voor veertig procent van de deelnemers is de afgelopen jaren „geen duurzame oplossing” gevonden – een eufemisme voor: vertrokken met onbekende bestemming.

Maar, benadrukken de onderzoekers, de „maatschappelijke effecten” van de LVV zijn positief. Het welzijn van de deelnemers verbetert in de opvang en er leven minder migranten op straat – wat de openbare orde ten goede komt. Volgens de gemeente Amsterdam is er sinds de start van de LVV nog maar één asielkraak geweest in de stad.

„Mijn werk is echt veranderd sinds 2018”, zegt Savannah Koolen, die zich nog altijd inzet voor ongedocumenteerden. „Ik hing iedere dag rond vijf uur aan de telefoon om mensen aan een bed te helpen. Dat is nu echt niet meer zo.”

En wat gebeurde er met de Sint-Joseph-kerk? Die is tegenwoordig een kinderspeelparadijs, met felgekleurde klimtoestellen en een balie vol snoepgoed.