Opinie

Het denkende hart van David Grossman

Michel Krielaars

Onder de indruk van alle eerbetoon stond de Israëlische schrijver David Grossman dinsdag op het podium in het Paleis op de Dam. Zojuist had de koning hem de Erasmusprijs uitgereikt. En nu, na een muzikaal intermezzo, was het tijd voor zijn dankwoord. Hij haalde daarin een passage aan uit het Westerbork-dagboek van Etty Hillesum over de joodse vrouwen in haar barak die niet wilden nadenken of voelen over wat hun te wachten stond, omdat ze anders gek zouden worden van angst. Hillesum besloot daarop dat wel te doen en ‘het denkende hart’ van het concentratiekamp te zijn.

Lees ook: Etty Hillesum kon niet anders dan aan haar overtuiging vasthouden

Grossman gebruikte haar woorden om zijn toehoorders erop te wijzen dat hun vrijheid broos en betrekkelijk was. Want ook nu kon hun vrijheid hun zo worden afgenomen om vervangen te worden ‘door willekeur en tirannie, door het kwaad van racisme, nationalisme, fanatisme, door barbaars en moorddadig gedrag, zoals dat van Rusland in Oekraïne – een strijd die op dit moment de wereldvrede bedreigt.’ Als het daar eenmaal van zou komen, dan hoopte hij dat ook zij hun ‘denkende hart’ niet zouden verliezen.

Opnieuw besefte ik dat Grossmans hele oeuvre, zijn roman Zie: liefde uit 1986 in het bijzonder, hierover gaat. Hij wil het verdriet van de ander helen, een verdriet dat zich alleen nog iets aantrekt van de verzachtende woorden van de literatuur.

Hoe blind iemand kan zijn voor het Kwaad las ik in de kleine roman Pollaks Arm van de Duitse schrijver Hans von Trotha. Het is briljante historische fictie over het leven van de Oostenrijkse archeoloog en kunsthistoricus Ludwig Pollak (1868-1943). Eind negentiende eeuw richtte hij in Rome een kunsthandel op die hem wereldberoemd maakte. Ook bracht hij grote kunstcollecties in kaart in wetenschappelijke catalogi, die nog altijd maatgevend zijn.

De in Praag opgegroeide Pollak verliet het Habsburgse keizerrijk, omdat hij er als Jood geen academische carrière kon maken. In Rome kreeg hij de erkenning die hij verdiende. Maar het noodlot diende zich aan toen Italië in september 1943 de zijde van de Geallieerden koos. De Duitsers bezetten daarop Rome en begonnen met de vervolging van de Italiaanse Joden.

Trotha, die met literaire vertelstructuren speelt, verweeft Pollaks lotgevallen met de geschiedenis van het antisemitisme en de holocaust, de archeologie en de kunst- en literatuurgeschiedenis. Die combinatie levert een fascinerend boek op met een hoofdrol voor de eeuwenlang verloren gewaande rechterarm van de Trojaanse priester Laocoön van de gelijknamige marmeren beeldengroep uit de Griekse Oudheid.

Pollak heeft die arm in 1906 op een rommelmarkt teruggevonden en aan de pauselijke staat geretourneerd. Mede als dank daarvoor wilde het Vaticaan hem in 1943 onderdak verschaffen, zoals het bij meer Joodse ballingen deed. Maar Pollak weigerde zijn palazzo vol kunstschatten en boeken te verlaten. Zijn huis was de ‘veilige’ wereld, die hem elders nooit werd gegund. En ook al hadden zijn meeste collega’s hem laten vallen, toch meende hij dat zijn grote reputatie onder Duitse kunstkenners hem voor deportatie zou vrijwaren.

Trotha baseerde zich voor zijn boek op Pollaks dagboeken, brieven en geschriften. De tragiek die hij daarmee oproept is groot en laat je de betekenis van Grossmans ‘denkende hart’ dan ook extra voelen.

Lees ook dit interview met Grossman: ‘Bange mensen stemmen op krijgers’