Minister Wiersma drukte plan aanpak weekendscholen door, tegen alle adviezen in

Onderwijs Wiersma (VVD) kondigde vorige maand aan dat hij ‘informele’ scholen onder toezicht van de onderwijsinspectie wil stellen. Maar zijn eigen ambtenaren, de landsadvocaat en de inspectie zelf waren tegen.

Het onderkomen van Stichting Taubah in Veenendaal.
Het onderkomen van Stichting Taubah in Veenendaal. Foto Bram Petraeus

Minister Dennis Wiersma (Onderwijs, VVD) negeerde adviezen van zijn ambtenaren bij zijn onlangs aangekondigde plannen om religieuze weekendscholen aan te pakken. Die wezen hem erop dat de voorstellen hoogstwaarschijnlijk onhaalbaar, onuitvoerbaar en ongrondwettelijk zijn. Toch zette Wiersma door.

Dat blijkt uit beleidsnota’s die zijn vrijgegeven door het ministerie van Onderwijs. Daarnaast blijkt hij uitspraken te hebben gedaan in de media over dit onderwerp die niet kloppen.

Wiersma kondigde vorige maand aan dat hij religieuze scholen onder toezicht van de onderwijsinspectie wil stellen. Als een van de redenen hiervoor noemde hij een onderzoek van tv-programma Nieuwsuur en NRC uit 2019. Daaruit bleek dat in Nederland zeker vijftig moskeescholen onder invloed staan van het salafisme, een fundamentalistische stroming binnen de islam. Op verschillende plekken leerden kinderen de Nederlandse ‘ongelovige’ samenleving af te wijzen en dat homoseksuelen de doodstraf verdienen.

Minister Wiersma wil een nieuwe wet maken zodat de inspectie deze plekken kan controleren, zo maakte hij in november in een brief aan de Tweede Kamer bekend. Nu kan de inspectie alleen nog op reguliere scholen komen, die door de overheid worden betaald.

Lees het onderzoek uit 2019: In de koranschool leren kinderen dat Nederland niet hun land is

Maar uit interne overheidsstukken blijkt dat Wiersma’s ambtenaren, die de brief moesten opstellen, grote vraagtekens plaatsen bij deze plannen. Het betekent in essentie namelijk dat Wiersma wil bepalen „hoe ouders hun kinderen opvoeden”. En dat is in strijd met verschillende grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting.

Eerst onderzoek

De onderwijsinspectie voelde er zelf ook niets voor. Volgens de landsadvocaat zou het voorstel er bovendien niet toe leiden dat er eerder kan worden ingegrepen. Het Openbaar Ministerie kan namelijk al optreden als er sprake is van aanzetten tot geweld of haat. Stuur je onderwijsinspecteurs naar dit soort weekendscholen, dan blijft men gebonden aan de „strikte grenzen” van vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid. Het advies van de ambtenaren en de landsadvocaat luidde: laat eerst onderzoek doen. Is Wiersma’s plan überhaupt wel haalbaar?

Maar Wiersma wil geen onderzoek. Hij wil zijn plan doorzetten. Op de adviezen van zijn ambtenaren schrijft hij twee keer met blauwe pen in de kantlijn: „geen onderzoek, maar besluit”. In de brief aan de Tweede Kamer mag niet komen te staan dat eerst nog bekeken moet worden of zijn idee wel uitvoerbaar is. Wiersma wil de plannen presenteren als „maatregelen die er zeker komen”.

En hij heeft nog meer ideeën. Er moet een meldpunt komen om docenten van weekendscholen aan te geven als zij tegen de ‘integratie’ of ‘democratie’ ingaan. Een meldplicht moet ervoor zorgen dat die meldingen ook echt gedaan worden. Ten slotte wil Wiersma nog een verbod op ‘antidemocratische’ lesboeken.

Het moet allemaal „als definitieve maatregelen” in de Kamerbrief worden opgeschreven, zodat het voor de lezer duidelijk zou zijn dat ze „echt gingen gebeuren”.

Lees hier de vrijgegeven stukken

Principiële bezwaren

De ambtenaren doen wat Wiersma wil, maar eerst moet de brief nog langs andere betrokken ministeries. En als die hem lezen, ontstaat er flinke discussie. Zowel het ministerie van Sociale Zaken als het ministerie van Binnenlandse Zaken zetten de hakken in het zand. Ze hebben principiële bezwaren tegen de plannen.

Het ministerie van Sociale Zaken bekritiseert het meldpunt dat Wiersma „zonder wettelijk kader en zonder duidelijke definities” wil inrichten. Een meldplicht zou de „vertrouwensband tussen leerling en docent in het geding” brengen, zo schrijven ambtenaren. En het idee om antidemocratische lesboeken te verbieden is strijdig met de vrijheid van drukpers. Zo’n verbod zou volgens het ministerie van Binnenlandse Zaken „onuitvoerbaar” zijn, onder andere omdat „antidemocratisch” een „uiterst vaag begrip is”.

Wiersma’s ambtenaren hadden hem hier al voor gewaarschuwd. Ze schrijven: „Eerder adviseerden wij u de maatregelen vooralsnog alleen te onderzoeken. U heeft de keuze gemaakt om de maatregelen direct als besluit te willen presenteren.”

Lees ook dit opinieartikel: Verdachtmaking koranscholen past in lange anti-islamtrend van de overheid

Als compromis zwakt Wiersma het plan voor een meldplicht af en wordt de toon van de brief iets genuanceerd, maar de rest van zijn plannen zet hij onverminderd door. De brief gaat op 18 november naar de Tweede Kamer. Daarin belooft Wiersma dat de nieuwe wetgeving nog deze kabinetsperiode in werking treedt. Het meldpunt is zelfs al opgericht: ouders en leerlingen van weekendscholen kunnen nu op een overheidswebsite hun docent aangeven als hij „antidemocratisch te werk gaat”. Als voorbeeld hiervan noemt de website een docent die zegt dat je niet moet gaan stemmen of „dat man en vrouw niet gelijk zijn”.

Rondgang langs media

Daarna volgt een ronde langs verschillende media: NOS, de Volkskrant en WNL. Daar laat Wiersma zich in scherpe bewoordingen uit over met name het islamitisch informele onderwijs. Kinderen zouden doordeweeks op school leren „dat je verliefd mag worden op wie je wil, maar in het weekend dat je een homoseksueel van een flatgebouw zou moeten gooien”. Deze anekdote is echter afkomstig uit een publicatie van de Volkskrant uit 2004, die niet over kinderlessen ging, maar over een boek voor volwassenen in een Amsterdamse moskee. Haalde Wiersma voorbeelden door elkaar? Zijn woordvoerder geeft geen antwoord op de vraag waar hij dit voorbeeld vandaan haalde.

In een interview met de Volkskrant vorige maand wordt Wiersma gevraagd wat er is gebeurd met de vijftig salafistische onderwijsinstellingen waarover Nieuwsuur en NRC in 2019 berichtten. Hij kan er geen antwoord op geven. „Het lastige is”, zegt hij, dat dit niet allemaal „gebouwen met een dak erop” zijn. Komt de minister eigenlijk zélf weleens op informele scholen, vraagt de Volkskrant. Wiersma antwoordt bevestigend: „Ik kom weleens op islamitische scholen waar soms na schooltijd nog taalles of koranles wordt gegeven.” De Volkskrant: „Maar daar gaat dan ook alles goed.” Wiersma: „Ja, dat neem ik aan. Op plekken waar kinderen worden geïndoctrineerd, kom ik niet.”

Maar als NRC en Nieuwsuur navragen welke scholen dit zijn, blijkt Wiersma er zelf helemaal niet te zijn geweest. Zijn woordvoerder laat weten dat Wiersma in het interview in de „ik-vorm” sprak, waar „wij” „preciezer was geweest”. Wiersma zou bedoeld hebben dat zijn ambtenaren weleens op gewone scholen komen, die „waarschijnlijk” ook „banden” hebben met het informele onderwijs.

Over het negeren van de ambtelijke kritiek op zijn voorstellen, laat de minister weten dat hij een „stevige aanpak” nastreeft. „Adviezen hierover weeg ik altijd mee. Uiteindelijk is het aan mij als bestuurder om uit te voeren wat wij in het coalitieakkoord hebben afgesproken: sneller ingrijpen bij informele onderwijsinstellingen en hun vertegenwoordigers die anti-integratief, antidemocratisch of antirechtsstatelijk opereren.” Het extra toezicht moet volgens Wiersma „alleen gelden voor die kleine groep die bewust kinderen tegen onze samenleving opzet, binnen welke stroming dan ook. Ik heb voorbeelden genoemd die schetsen welke radicale ideeën binnen diverse stromingen heersen en ons zorgen baren. Reden genoeg om hier strak toezicht op te organiseren.”