‘Lijkschennis moet zwaarder worden bestraft’

Rapport WODC Niet alle lijkschennis, bijvoorbeeld necrofilie en het betalen voor een overleden lichaam, is nu strafbaar. Wie dood is, geniet in Nederland onvoldoende rechtsbescherming, blijkt uit een rapport.

Een patholoog onderzoekt het lichaam van een overleden persoon.
Een patholoog onderzoekt het lichaam van een overleden persoon. Foto ANP

Geen veroordeling voor de necrofiel die zich aan een lijk vergrijpt. Een lagere straf als criminelen na een liquidatie het lijk verdonkeremanen, omdat moord dan moeilijker bewijsbaar is. En onduidelijkheid wie er controleert wat er gebeurt met mensen die hun lichaam na overlijden beschikbaar stellen aan commerciële ‘lichaamsmakelaars’ of zelfs academische ziekenhuizen. Omdat handel in lijken in Nederland niet strafbaar is.

Wie dood is, heeft weinig rechtsbescherming tegen aantasting van zijn lichamelijke integriteit, privacy, of gesol met zijn lichaam, blijkt uit het donderdag gepubliceerde onderzoek Strafbaarstelling van lijkschennis in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie (WODC).

Lijkschennis is in Nederland geen zelfstandig delict; zelfs de zedendeliquent die zich seksueel aan een lijk vergrijpt, kan daar niet voor worden vervolgd. Beeldmateriaal van overledenen, ook als het om schokkende foto’s gaat, mag vrijelijk verspreid worden. En ook een strafrechtelijk verbod op commercieel verhandelen van lijken is er niet. Onduidelijk is hoe vaak lijkschennis voorkomt. Een aantal incidenten was aanleiding voor het WODC-onderzoek.

Het Nederlandse strafrecht moet worden aangepast, meer in lijn met de praktijk in Duitsland, Engeland, of Zweden, wordt in het rapport bepleit. Reden is dat de impact van oneerbiedige omgang met het lichaam voor nabestaanden ingrijpend is, zegt hoofdonderzoeker Bas de Wilde, die in opdracht van het WODC het onderzoek uitvoerde. „Er moet respectvol met een lichaam worden omgegaan. Als iemand gedumpt wordt en de daders vervolgens een lagere straf krijgen, omdat moord niet bewezen kan worden. Of als er seksuele handelingen met je overleden moeder verricht zijn en er geen sancties mogelijk zijn. Maar ook als er geen nabestaanden zijn.”

Seks met lijken

In het onderzoek worden drie gevallen van necrofilie aangehaald, die niet vervolgd konden worden. Zoals een 19-jarige jongen die een 91-jarige vrouw vermoordde en daarna verkrachtte. Of recent een 18-jarige gehandicapte jongen die een 91-jarige vrouw in het mortuarium had aangerand. Nabestaanden van die vrouw kregen van toenmalig minister Ferd Grapperhaus (Justitie, CDA) te horen dat hij het een „respectloze, mensonwaardige gebeurtenis voor de nabestaanden” vond.

Maar ook dat hij niets voelde voor strafbaarstelling van necrofilie, omdat het zo’n uitzonderlijk vergrijp was. „Zo werd er in Engeland ook over gedacht”, zegt onderzoeker De Wilde. „Totdat bleek dat een mortuariummedewerker jarenlang seks had bedreven met 102 lijken.” De Wilde doelt op de affaire-David Fuller in Engeland: een elektricien die zijn medewerkerskaart gebruikte om in het mortuarium toe te slaan. „Necrofilie laat nauwelijks sporen achter”, aldus De Wilde.

Ook handel in lijken kan niet worden bestraft. In 2019 raakten het Amsterdam UMC en het Erasmus MC in Rotterdam in opspraak toen bleek dat zij jarenlang lichaamsdelen hadden ingekocht bij het Amerikaanse bedrijf MedCure. In Amsterdam ging het om honderden hoofden, in Rotterdam om knieën en schouders van overleden mensen. Dat kwam via Amerikaanse media aan het licht, toen bleek dat het bedrijf mogelijk besmette lichaamsdelen had geleverd. Lees meer: Erasmus MC en AMC stoppen met aankoop lichaamsdelen uit VS

Woordvoerders van beide medische centra benadrukken dat er sindsdien geen zaken meer wordt gedaan met deze commerciële body brokers, omdat dat „achteraf gezien ethisch onverantwoord was”, aldus een woordvoerder van het Amsterdam UMC. Het Amsterdamse ziekenhuis maakte gebruik van de bedrijven omdat het zelf een tekort had aan lichaamsdelen.

Crashmodel voor Renault

In Nederland is een commerciële aanbieder actief, RISE Labs in Amsterdam, met een bestand van enkele duizenden donoren. Commerciële handel in lichamen mag, maar donoren mag geen geld in het vooruitzicht worden gesteld voor het beschikbaar stellen van hun lichaam. Bedrijven die zich daar niet aan houden, hebben weinig te duchten van justitie, omdat er geen sanctie op dat verbod staat.

RISE Labs vermeldt op de website dat donatie „een goedkoop alternatief” is ten opzichte van een uitvaart. „Dat lijkt in strijd met het non-commercialiteitsbeginsel”, zegt De Wilde, doelend op het verbod om het menselijk lichaam als bron van financieel voordeel aan te wenden. „Maar meer in het algemeen moeten donoren duidelijker weten wat er na overlijden met hun lichamen gebeurt. Niet iedereen zal het prettig vinden als zijn lichaam gebruikt wordt als crashmodel voor de autoindustrie, zoals in Frankrijk is gebeurd.”

Een vergunningstelsel moet daar duidelijkheid in geven, zo wordt in het onderzoek bepleit. Met de mogelijkheid van strafrechtelijke sancties als de regels niet worden nageleefd. De Wilde verwijst naar een recent Frans schandaal, het scandale du charnier de l’université Paris-Descartes. In een van de grootste centra voor lichaamsdonatie in Frankrijk werd op grote schaal grof omgegaan met honderden lijken. Die lagen ongekoeld weg te rotten. Bovendien werd er grof geld verdiend aan de verkoop van lijken aan autofabrikant Renault.

De Wilde: „Er zijn geen aanwijzingen dat zoiets ook in Nederland gebeurt. Maar het is belangrijk om te voorkomen dat dergelijke excessen ook hier kunnen optreden. Vandaar ons pleidooi voor zo’n vergunningstelsel met voorwaarden over de toestemming van de donor en de kosten die in rekening gebracht mogen worden.”

Paranormale energie

Heimelijke séances op een begraafplaats in Amersfoort is het meest recente voorbeeld van de moeilijke omgang met graf- en lijkschennis. Vorig jaar september hield een groep zelfbenoemde spirituele onderzoekers daar een „zoektocht naar paranormale energie”. Met toestemming van de gemeente, bleek achteraf. De zoektocht bleek te bestaan uit het aanroepen van overledenen, ook op de speciale kinderbegraafplaats.

Maar was hier nu sprake van grafschennis? Justitie beraadt zich daar een jaar later nog steeds over. Minister Grapperhaus moest in de Tweede Kamer het antwoord schuldig blijven. Hij verwees destijds naar het nog te publiceren WODC-onderzoek. Maar daarin wordt die vraag niet beantwoord. Wel wordt in het onderzoek verwezen naar de Duitse praktijk. Daar geldt het zogenaamde principe van het zogeheten beschimpfenden Unfug: wie zich aantoonbaar ongepast tegenover een overledene gedraagt, is strafbaar.