Drie amateurgravers vonden brokstukken van een WOII-vliegtuig – en werden veroordeeld voor diefstal

Spitfire In 1944 stortte een Brits jachtvliegtuig neer bij Meerlo. Drie amateurgravers haalden in de bodem belande brokstukken in 2018 naar boven. En toen sloeg de erfgoed-inspectie alarm.

Het vinden van het Britse jachtvliegtuig was als het vinden van heilige graal.
Het vinden van het Britse jachtvliegtuig was als het vinden van heilige graal. Illustratie Fieke Ruitinga

In de warme en droge zomer van 2018 kreeg Tim W., toen 39, het idee de neergestorte Spitfire op te graven. Het vinden van het Britse jachtvliegtuig was als het vinden van heilige graal. Van jongs af had W., geboren en getogen in het Noord-Limburgse Meerlo bij Venray, te horen gekregen dat in de Tweede Wereldoorlog vlak bij zijn ouderlijk huis een Spitfire was neergestort. Ook door andere oorlogsverhalen had hij naar eigen zeggen een heuse passie voor de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld. Hij behoorde nu tot het leger amateurs dat met een metaaldetector zoekt naar in de bodem achtergebleven wapens, munitie en helmen.

Half november stond W. met twee medeverdachten terecht voor het graven naar het vliegtuig. De zaak draaide om de vraag of de drie daarmee de Erfgoedwet overtraden.

Op zich staat die wet, uit 2016, het doorzoeken van de bodem op militaria toe. Tenminste, als de grondeigenaar heeft ingestemd, en als vondsten worden gemeld bij het bevoegd gezag, bijvoorbeeld de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook mogen de vondsten niet meer dan 30 centimeter onder het maaiveld zijn gedaan. Dieper graven is verboden voor onbevoegden, omdat dan de nog intacte bodem met archeologische informatie verstoord kan worden.

De Spitfire stortte neer bij Meerlo op 28 mei 1944, met aan boord de 26-jarige Neville Clark. De Australische Royal Air Force-piloot was eerder die dag opgestegen van het militaire vliegveld Benson, ten zuidoosten van Oxford. Hij hoorde bij het 542 Squadron dat met ongewapende Spitfires verkenningsvluchten uitvoerde boven Duitsland. Nadat hij bij Dortmund en Bochum foto’s had gemaakt van Duitse vliegvelden, was zijn vliegtuig op de terugweg door Duits luchtafweergeschut geraakt. Om kwart over acht in de avond stortte zijn toestel net buiten Meerlo neer, bij het kruispunt van Keuter en De Ham. De Duitsers borgen zijn stoffelijke resten en begroeven die in Venlo. Na de oorlog is hij bijgezet op de militaire begraafplaats Jonkerbos in Nijmegen, ruim 16.000 kilometer van zijn vrouw, die was achtergebleven in Leichhardt, New South Wales.

De brokstukken van Clarks Spitfire, beland in de moerassige grond van een oude loop van de Maas, waren toen al weggezakt. Later groeide er een klein bos met hakhout en bramenstruiken overheen. De plek is nooit gemarkeerd, er kwam ook nooit een monument, zoals dat in 2008 wel het geval was voor de vijf bemanningsleden van een Lancaster die zestien dagen na de crash van Clark ook in de buurt neerkwam.

Op zoek naar de Spitfire hakte Tim W. zich met een kapmes een weg door de braamstruiken. Het bos was te groot om in het wilde weg te graven; vermoedelijk had hij een metaaldetector bij zich. Zo’n dertig meter van de weg stuitte hij op de crashplek. Met een schop, zo wil W’s verhaal, groef hij een diepe kuil. Het grondwater stond zo hoog dat hij een pomp nodig had om de kuil te legen. En toen stuitte hij op het motorblok. De hoofdprijs, maar wel veel te zwaar om er in z’n eentje uit te krijgen.

Hij wist meteen wie hij om hulp moest vragen: Jordie G., uit een nabij dorp aan de overkant van de Maas. Ook iemand met een ‘passie’ voor de oorlog en metaaldetectie. Al sinds zijn vijftiende was hij ermee bezig, vertelde de stevige man (38) later in de rechtszaal.

Een Instagram-account op zijn naam met zeventig zoektochtberichten tussen januari 2019 en februari 2020 toont wat dat betekent. Op een foto van 9 februari 2019 is te zien dat naast een diepe kuil zeventien gecorrodeerde Duitse helmen liggen, uitgegraven op een van de slagvelden van Market Garden. De foto’s van 4 maart 2019 tonen een Market Gardenplek met een parachute in een kuil, een kruiwagen en een ladder op de achtergrond. Hashtag: #deepdigging.

Motorblok in drie stukken

Jordie G. bood Tim W. graag de helpende hand met de Spitfire. Hij vroeg op zijn beurt de toen 46-jarige Harm G. erbij (niet dezelfde achternaam), lid van een officiële vereniging van munitieverzamelaars, want die kon wel een „kraantje” regelen, een kleine graafmachine.

De operatie begin augustus 2018 trok bekijks van vele dorpsbewoners. Er werden foto’s gemaakt terwijl het motorblok in drie stukken uit de grond werd gehaald. Na afloop werden alle vondsten – zuurstoftanks, een opblaasbootje voor noodsituaties, een reddingsvest, aluminium brokstukken en fragmenten van landkaarten – op de aanhangwagen van Tim W. geladen, die de spullen bij zijn moeder zou opslaan.

Via de dorps-tamtam hoorde een amateur-archeoloog over het graafwerk. Bezorgd seinde hij een bevriende archeoloog in. Die ging kijken en stelde aan de hand van de rupssporen en de omvang van de weer met water volgelopen kuil vast dat er machinaal was gegraven. Reden voor hem om in maart 2019 de illegale opgraving te melden bij de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, die valt onder het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Daar maakten ze zich al langer zorgen om metaaldetector-amateurs op zoek naar militaria uit de oorlog, vertelt erfgoedinspecteur Nico Aten. Hoe groot het probleem precies is, weet hij niet. In een rapport uit 2017 over metaaldetectie en de Tweede Wereldoorlog wordt geschat dat er 10.000 tot 15.000 metaaldetector-amateurs zijn. Ze kunnen sinds 2016 hun metaalvondsten uit alle perioden van de geschiedenis melden bij de database PAN (Portable Antiquities Netherlands). Dat gebeurt volop voor vondsten uit andere tijdvakken, maar het aantal vondsten uit de Tweede Wereldoorlog in de openbare database is opvallend gering – dat wijst mogelijk op veel achtergehouden oorlogsvondsten.

In oktober 2019 bood Jordie G. via Marktplaats een Spitfire-zuurstoftank te koop aan

Er zijn meer aanwijzingen dat er sprake is van een „omvangrijke aantasting” van het erfgoed van de Tweede Wereldoorlog door metaaldetectorzoekers, zegt Nico Aten. Op internetfora tonen vinders onder pseudoniem volop hun vondsten, vertelt hij. En boswachters stellen op vele plaatsen vast dat er is gegraven, met name in de regio Nijmegen, waar per verordening metaaldetectoren verboden zijn. Aten: „We zien dat bepaalde groepen kleine graafmachines inzetten. En diepzoekers, detectoren die metaal tot vijf meter in de grond kunnen ontdekken, worden volop aan hobbyzoekers aangeboden.” Handelaren die diepzoekers aanbieden – tegen prijzen van rond de 1.000 euro – richten zich op hun websites expliciet op „militaria zoekers”.

Vooral Jordie G. zou het niet zo nauw nemen met de Erfgoedwet, zeggen beroeps-archeologen. Drie archeologen vertellen anoniem aan NRC (namen bekend bij de redactie) dat G. de randen van de wet opzoekt, zo niet overschrijdt. Hij vraagt grondeigenaren niet om toestemming, hij zet machines in om diepere kuilen te graven, hij schuift stoffelijke resten terzijde, hij meldt vondsten niet, maar verkoopt ze, en hij is op zijn zachtst gezegd niet gediend van personen die hem aanspreken op zijn handelen. De archeologen zeggen beducht, zelfs bang te zijn voor hem en voor andere metaaldetector-amateurs met wie hij werkt.

Eén van de archeologen vertelt dat G. onder de naam ‘Ghosts of the western front’ op Facebook en YouTube foto’s en filmpjes zette van zijn zoektochten. Die tonen volgens hem duidelijk dat G. en medezoekers de Erfgoedwet meermaals schonden. Bij de opgraving van de Spitfire zou volgens geruchten ook een bot van een been zijn gevonden. Gezien de zware crash zou het hem niet verbazen als de Duitsers destijds niet het hele lichaam borgen. Inmiddels heeft G. de Facebookpagina en de filmpjes verwijderd.

Nico Aten en zijn collega’s van de erfgoedinspectie was het nog nooit gelukt om daders voor het gerecht te brengen. De Spitfire-zaak bood de kans dit wel te doen. Inspectie en politie gingen samenwerken toen bleek dat ook de grondeigenaar aangifte had gedaan: hij had geen toestemming gegeven. „Met Defensie hebben we ook geprobeerd om de Britse overheid, rechtmatig eigenaar van de Spitfire, aangifte te laten doen wegens diefstal”, zegt Frank Assendelft, belast met kunst- en antiekcriminaliteit bij de politie Limburg. „We zijn ver gekomen, maar het ging niet door vanwege Brexit.”

Toen Jordie G. in oktober 2019 via Marktplaats een zuurstoftank van de Spitfire te koop aanbood, ging op instigatie van Assendelft een rechercheteam aan het werk. Er kwam toestemming voor een pseudokoop en huiszoekingen bij de verdachten. Bij Jordie G. werd niet alleen de zuurstoftank in beslag genomen. Hij bleek ook veel oorlogsmunitie in huis te hebben. Een deel was zo instabiel dat de Explosieven Opruimingsdienst die meteen tot ontploffing bracht.

Het duurde – mede door corona – meer dan twee jaar, tot 15 november dit jaar, voordat de Spitfire-zaak voor de rechter kwam. Tijdens de zitting ontkende Tim W. zijn aandeel niet, maar Jordie G. en Harm G. verklaarden beiden dat ze alleen aanwezig waren geweest bij het uitgraven: zelf zouden ze niet hebben gegraven. Jordie G. was geschokt omdat het drietal in De Limburger was afgeschilderd als „schatgravers”. Daarin herkende hij zich niet, het had gezorgd voor een knoop in zijn maag, zei hij. Tegen het drietal eiste de officier van justitie taakstraffen. Hun advocaat bepleitte vrijspraak.

Lees ook: De oorlogshobbyist groef uit ‘passie voor geschiedenis’ maar overtrad wel de wet

Op dinsdag 29 november oordeelde de rechter dat de drie verdachten „nauw” en „bewust” hadden samengewerkt. Hij achtte ze schuldig aan diefstal en opzettelijke overtreding van de Erfgoedwet. „Ongebreideld op jacht gaan” naar historisch erfgoed noemde hij „laakbaar”. „Vooral wanneer de gevonden voorwerpen [...] van de vindplaats verwijderd, verspreid en zelfs te gelde gemaakt worden.” Ter afschrikking en „in het belang van de bescherming van historisch erfgoed” legde de rechter hogere straffen op dan de officier had geëist. Harm G. en Tim W. kregen beiden een taakstraf van 80 uur, W. kreeg als initiatiefnemer bovendien een maand voorwaardelijke celstraf. Jordie G, die in 2018 al eens was veroordeeld wegens een delict met zwaar illegaal vuurwerk, en die dus nog een voorwaardelijke straf had staan, kreeg de zwaarste straf: 100 uur taakstraf en een maand voorwaardelijk (plus 180 uur taakstraf voor de voorwaardelijke straf die hij nog had staan).

Frank Assendelft zei: „We hebben bereikt wat we wilden: een unieke uitspraak voor overtreding van de Erfgoedwet. Ook is het zeer belangrijk dat diefstal is bewezen.” Nico Aten is blij dat de rechter WOII-materiaal, ook de niet-technische onderdelen van het vliegtuig, beschouwt als erfgoed. „Deze uitspraak geeft ons meer mogelijkheden om op te treden.” Beiden zijn ook content dat de illegaal opgegraven onderdelen van de Spitfire nu een goede bestemming krijgen: ze gaan naar Oorlogsmuseum Overloon.