Recensie

Recensie Boeken

De islamitische Spinoza? Nee: Spinoza was de westerse al-Farabi

Filosofie Opnieuw vertaalde Michiel Leezenberg een hoogtepunt uit de klassieke islamitische filosofie. In zijn vooruitstrevende verhandeling over de deugdzame samenleving noemt Aboe Nasr al-Farabi religie nog net geen sprookje.

Standbeeld van al-Farabi in Almaty, Kazachstan, voor de universiteit die zijn naam draagt.
Standbeeld van al-Farabi in Almaty, Kazachstan, voor de universiteit die zijn naam draagt. Wikimedia commons

‘Wat nou woestijngeloof’. Zo luidde ruim tien jaar geleden de aankondiging van een lezing van islamdeskundige en filosoof Michiel Leezenberg, over islamitische filosofie. Sinds zijn met de Socrates-wisselbeker bekroonde Islamitische filosofie (2001) probeert Leezenberg de klassieke islamitische filosofie smoel te geven in Nederland. Met dat ambassadeurswerk is hij nog altijd bezig, zoals zijn recente vertaling De deugdzame stad van de middeleeuwse islamitische filosoof Aboe Nasr al-Farabi (870-950) laat zien.

Al-Farabi is de tweede islamitische filosoof in de Boom Klassiek-serie, na de knappe vertaling van de autobiografie van al-Ghazali, Verlost van onzin. Terugkomend op laatstgenoemde: in mijn eerdere bespreking noemde ik al-Ghazali een ‘islamitische Augustinus’. Daar werd ik door kritische lezers op aangesproken. Waarom moest een islamitische denker weer gespiegeld worden aan een voor westerlingen bekend figuur? Kan al-Ghazali gewoon niet al-Ghazali zijn, met zijn eigen ideeën en eigen referentiekader?

Goed punt. Het is misschien de automatische reflex in een denkwereld die bijna vanzelfsprekend eurocentrisch is. Ook Leezenberg ‘bezondigde’ zich eraan toen hij twee decennia terug al-Farabi de ‘islamitische Immanuel Kant’ noemde. Het was de tijd van heftige polemiek over de islam, met onder meer de discussie of de islamitische wereld wel te moderniseren viel. Verwijzingen naar het verleden toen de islamitische beschaving denkers als Ibn Rushd (Averroës) en Ibn Sina (Avicenna) voortbracht werd door islamcritici weggezet als een anomalie. Bovendien zouden islamitische filosofen hooguit Griekse werken hebben nageslagen en doorgegeven. Een vroege islamitische Verlichting, zoals Leezenberg die periode nog altijd noemt, was anachronistisch en schromelijk overdreven.

Translate, don’t tell, luidt nu het adagium. Al-Farabi’s hoofdwerk De deugdzame stad is nu voor het eerst naar het Nederlands vertaald en toont aan hoe uitzonderlijk zijn ideeën lange tijd waren.

De ideale stad

Volgens al-Farabi is het streven naar geluk door mensen, als gemeenschap, wat een stad (tegenwoordig zouden we samenleving zeggen) deugdzaam maakt. Wie zo’n stad bestuurt is hem om het even, het zijn uiteindelijk de inwoners van een stad of rijk die de sleutel naar dat geluk in handen hebben, ook wel een manier van zeggen dat elk volk de leider krijgt dat het verdient. Opvallend is waar dat geluk volgens al-Farabi idealiter op gebaseerd moet zijn, namelijk kennis over de kosmos, natuurfilosofie en logica. Griekse kennis, welteverstaan. Niet Mohammed maar Aristoteles, Plato en Plotinos zijn al-Farabi’s inspiratiebronnen.

Dat is het revolutionaire aan al-Farabi’s werk: zijn ideale stad hoeft niet per se islamitisch te zijn. Sterker, hij noemt de mate van religieuze vroomheid nergens een voorwaarde voor een deugdzame stad. Vroomheid schaart al-Farabi zelfs onder de soorten ‘list en bedrog van één groep mensen jegens een andere’. De waarheid is immers in zijn ogen niet religieus maar filosofisch van aard, wat niet wil zeggen dat godsdienst geen plek heeft in zijn denken. Religie dient als verbeelding van kennis die te hoog gegrepen is voor het gewone volk. Hij noemt de religieuze openbaring net geen sprookje, maar het scheelt niet veel.

De rede superieur aan de goddelijke openbaring verklaren: in christelijk Europa duurde het zo’n zeven eeuwen voordat (de joodse) Spinoza dat expliciet opschreef, ongetwijfeld geïnspireerd door de joodse filosoof Maimonides uit middeleeuws Spanje, die weer kennis had van al-Farabi’s ideeën. Spinoza werd er overigens door verketterd, al-Farabi kon op aanzienlijk meer tolerantie rekenen.

Verhelderend zijn de aantekeningen van Leezenberg achterin het boek, waar hij toelichting geeft bij de tekst van al-Farabi. Daarin geeft hij context, wijst op tegenstrijdigheden en becommentarieert al-Farabi’s stellingen. Dat Leezenberg geestig uit de hoek kan komen blijkt bijvoorbeeld uit zijn commentaar op al-Farabi’s uitspraak over slavernij als natuurverschijnsel, met als voorbeeld dat sommige dieren andere diersoorten tot slaaf maken. Leezenberg: ‘Voor zover mij bekend klopt dat alleen voor de mens in zijn relatie tot last- en huisdieren, en misschien voor de kat in zijn relatie tot de mens.’

Zijn inspanningen om de islamitische filosofie voor een breed publiek toegankelijk te maken leverde Leezenberg in het verleden het verwijt op een apologeet voor ‘de’ islam te zijn. Het is onduidelijk hoe filosofie goede sier zou betekenen voor de (orthodoxe) islam; ideeën zoals die van al-Farabi zullen voor veel gelovigen niets meer dan ketterij zijn. Leezenberg wil eerder aantonen dat filosofie universeel is, maar ook benadrukken dat moslimdenkers uit de middeleeuwen niet toevallig kritische geesten waren en vice versa. De deugdzame stad is daar het bewijs van.

Lees ook: Wie was Mohammed?