In verzet tegen de Duitse bezetting als mens of held?

Verzetsmuseum Vrijdag opent het Verzetsmuseum de deuren met een nieuwe opzet: meer mens en meer vloeiende scheidslijnen. De held van toen is een mens geworden.

In het Verzetsmuseum is nu meer aandacht voor de koloniale kant van verzet.
In het Verzetsmuseum is nu meer aandacht voor de koloniale kant van verzet. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Wat is een held? Die vraag werd deze week opnieuw relevant vanwege de heropening van het Amsterdamse Verzetsmuseum vrijdag. Wie de geschiedeniscanon van Nederland erop naslaat komt verschillende helden tegen: Willem van Oranje, Michiel de Ruyter, Aletta Jacobs, Leeghwater of Rembrandt, verzetshelden en – na 1974 onder het kopje Oranjegevoel – sportheldinnen en helden. ‘Helden als zij hebben ons land gevormd en veranderd door heldenmoed, durf, standvastigheid, daadkracht, eigenzinnigheid’, staat er.

Het Verzetsmuseum kreeg flink wat kritiek te verduren omdat je er geen helden zal vinden. Ja, een keer wordt er in de begeleidende teksten iemand een held genoemd, in een citaat, over de 17-jarige anticommunist Gerard Mooyman: „Tijdens een zware tankaanval schakelt hij maar liefst dertien Russische tanks uit. De NSB’ers en Duitsers zien hem als een held. Als eerste niet-Duitser krijgt hij het Ridderkruis. ‘Mijn vreugde en trots kennen geen grenzen’, schrijft hij aan zijn verloofde. De nazi’s gebruiken Gerard nu als voorbeeld om nieuwe Nederlandse SS’ers te werven.”

Hannie Schaft en haar verhoorder

Ruim twintig jaar lang was de opzet van het Verzetsmuseum zo goed als ongewijzigd. Wat in de nieuwe opzet is gebleven zijn de chronologie (nu onderverdeeld in zes perioden, schitterend vormgegeven door Ilona Laurijsse) en de persoonlijke verhalen. Het gaat daarbij niet zozeer om heldendaden, maar om de menselijke kant van het verzet waarbij het ook gaat om keuzes en de positie waarin mensen zaten die keuzes maakten. De verhalen om het verzet heen en de andere kanten komen dus aan bod.

Zo is er aandacht voor burgerslachtoffers, dwangarbeiders, mensen in het verzet uit de voormalige koloniën en ook voor daders. Een foto van Hannie Schaft is nu in dezelfde vitrine te vinden als een van Emil Rühl, de Duitser die haar verhoorde en veroordeelde nadat ze in maart 1945 was opgepakt. De Duitse SS-er Benno Samel staat naast de Joodse Galinka Ehrenfest, die hoogzwanger is als ze door hem wordt verhoord. Samel is overtuigd van de politieke idealen van het nationaalsocialisme, maar het wegvoeren van de Joden staat hem tegen. Hij helpt haar en zorgt ervoor dat ze ‘uitgeschreven’ wordt als Joods.

Ook Jodenjager Wim Henneicke, die naar schatting 9.000 Joden heeft aangegeven, en Anton van der Waals, de man die in het verzet infiltreerde en door wie 83 verzetsmensen werden opgepakt en 38 verzetsmensen omkwamen, zijn in de vaste opstelling aanwezig.

Het was altijd ‘Ben je niet trots op je vader?’ Maar wij als gezin hebben de prijs betaald.

Een andere opvallende verandering is de aandacht die er is voor de koloniale kant. Zo ging de Indonesische student Evy Poetiray, lid van de studentenvereniging Perhimpoenan Indonesia (PI), verzetskranten verspreiden. Hoewel er discussie binnen PI was of er nu wel gestreden moest worden aan de kant van de koloniale onderdrukker, werden de leden opgeroepen tot verzet tegen de Duitse bezetting. „Doordat zij nu zelf onderdrukt werden, kregen zij begrip voor de Indonesische strijd. En ze publiceerden artikelen over de onafhankelijkheid van Indonesië”, aldus Evy Poetiray in de begeleidende tekst.

Een vergelijkbare houding geldt voor de Surinaamse schrijver Anton de Kom, die zich bij de communisten aansloot omdat zij als enige politieke groep in Nederland tegen het kolonialisme waren. Hij schrijft voor verzetskrant De Vonk. Zowel de verzetsgroep Perhimpoenan Indonesia als De Kom hoopten de publieke opinie te kunnen beïnvloeden door een gedeeld besef van onderdrukking. Dat was zonder enig effect, kon na de oorlog worden vastgesteld.

In het heropende museum vind je geen ‘helden’ meer, wel verzetsmensen.

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Opvallender nog in het geheel is dat ook de keerzijde van het verzet uitgebreid aan bod komt. Over de relativering van verzet werd al vroeg geschreven. Simon Vestdijk was de eerste Nederlandse schrijver die in 1948 met een roman kwam waarin verzetsmensen geen ‘helden’ waren: Pastorale ’43, langzaam kwam die kant vaker ter sprake. Hier wordt de roekeloosheid die er soms was, verteld aan de hand van verzetsman Johannes Post. Hij hielp tijdens de oorlog onderduikers, pleegde overvallen en werd een leider in de Landelijke Knokploegen (LKP), het gewapende verzet. Het pepmiddel pervitine houdt hem op de been, maar maakt hem ook roekelozer waardoor hij steeds grotere risico’s neemt. Zijn vrouw en zeven kinderen moeten onderduiken, zelf wordt hij uiteindelijk opgepakt en doodgeschoten. Dochter Trijneke Post komt in het museum aan het woord en stelt: „Het was altijd ‘Ben je niet trots op je vader?’ Maar wij als gezin hebben de prijs betaald.”

Soldaat van Oranje

Bij Nederlands verzetsicoon Erik Hazelhoff Roelfzema – Soldaat van Oranje – staat een citaat van hem als RAF-piloot over zijn bombardementen op Berlijn: „Daar smakken de 4000-ponders op Hitlers hoofdstad, opbloeiend tot vurige paddenstoelen. We kijken ernaar als naar een film, opwindend en tragisch, maar het raakt ons niet. Het is te ver verwijderd van ons dagelijks leven…” Om erbij mee te delen: „900 Nederlanders dienen tijdens de oorlog bij de RAF. De geallieerden bombarderen meer dan 1.000 plaatsen in Duitsland, waarbij ca. 450.000 doden vallen”. Een held in the eye of the beholder.

„Zijn er geen rolmodellen meer nodig?” vroeg Tijs van den Brink maandag op NPO1 tijdens de discussie over het weglaten van het woord helden als het om verzetsmensen gaat. Jawel, antwoordde Nico van Esmond, zoon van verzetsman Derk Smoes, maar geen helden. Helden, zo legde hij uit, worden gebruikt als nationale symbolen. En die symboliek is nu net zo vaak het probleem (geweest) – ook dat is in het vernieuwde Verzetsmuseum goed te zien.

Lees ook over een verzetskrant in braille als vast onderdeel van de collectie: Het blindenverzet zat in Utrecht