Opinie

Arm en vindingrijk

Frits Abrahams

Je begreep niet meteen wat je zag. Het ging om twee mensen, een man en een vrouw van middelbare leeftijd, die op het trottoir langs een drukke straat in de Amsterdamse binnenstad plastic vuilniszakken opentrokken.

Dat gebeurt vaker, maar nu trok het mijn aandacht doordat ze zo systematisch te werk gingen. Het betrof een imponerende berg van minstens twintig zakken die één voor één werden geopend en grondig doorzocht. Ze werkten in hoog tempo, niet samen aan één zak, maar ieder apart. Alles voltrok zich zwijgend, er was alleen het geluid van zakken die na onderzoek op de grond ploften.

Veel voorbijgangers leek het niet op te vallen, ze liepen er langs alsof het een dagelijks tafereel betrof. Ik bleef langer kijken omdat ik me afvroeg of de man en de vrouw naar iets speciaals zochten. De inhoud van de zakken was divers: veel voedselresten, maar ook losse voorwerpen waaronder vooral, merkwaardig genoeg, talrijke half opgebruikte closetrollen. Maar na een poosje bleken ze iets heel anders te zoeken: plastic flessen, groot en klein. Die werden in een aparte zak opgeborgen.

Dit deel van het trottoir lag voor een hotel, zag ik toen ik naar de overkant van de straat was gelopen. Af en toe kwam een man van het hotelpersoneel naar buiten om een plastic zak naast de andere zakken te plaatsen. Hij keurde de man en de vrouw geen blik waardig en liep meteen terug.

Het afval moest vooral afkomstig zijn uit dit hotel, waarmee het mysterie van de closetrollen was opgelost: gasten willen geen half opgebruikte closetrol op hun kamer aantreffen. Ook het grote aantal plastic flessen was nu verklaard – er wordt heel wat gedronken in zo’n hotel. Armoede maakt vindingrijk: de man en de vrouw zullen gemerkt hebben dat ze hier het statiegeld konden verdienen waarvan ze moesten proberen te leven.

Hoeveel statiegeld zouden ze op deze plek hebben verdiend? Ze waren ruim een half uur intensief bezig; stel dat ze 50 kleine en grote flessen hadden gevonden. Voor een grote fles krijg je 25 cent, voor een kleine 15 cent. Ik vermoed (en vrees) dat ze hooguit 15 euro zullen hebben verdiend met hun smerige karwei – een bedrag dat ze bovendien moesten delen.

Eerder zag ik in de binnenstad een man met een soort priem in afvalbakken verwoed naar bruikbare spullen zoeken. Ook hij zal vooral flessen hebben gezocht.

In mijn column beschreef ik onlangs hoe een jonge vrouw met een baby in de kinderwagen bedelde in de metro vanaf station Kraaiennest in Amsterdam-Zuidoost, een tafereel dat ik vooral kende van Roma-vrouwen in Parijs, al hebben zij de baby eerder op de arm dan in de wagen. Een lezeres schreef dat dit wel een fantasietje van mij zou zijn geweest. Was het maar waar. Ik moest denken aan George Orwell die al in 1933 in zijn Down and out in Paris and London schreef: „Maar het vervelende is dat intelligente, ontwikkelde mensen, juist degenen die brede opvattingen zouden moeten hebben, nooit met arme mensen omgaan. Want wat weten de meeste ontwikkelde mensen van armoede af?”

Die ontwikkelde mensen zullen ook in ogenschijnlijk welvarende steden als Amsterdam, waar veel rijke toeristen en expats rondlopen, steeds meer met rauwe armoede geconfronteerd worden. De kloof tussen arm en rijk wordt in zulke steden eerder groter dan kleiner.