Wie als eerste uit het gezin gaat studeren, moet heel wat obstakels overwinnen

Eerstegeneratiestudenten Hoe is het om als eerste in de familie te gaan studeren? Lastig, merken veel ‘eerstegeneratiestudenten’. „Er was nul aanmoediging, ik moest het allemaal uit mezelf halen.”

Eerstegeneratiestudenten staan steeds meer op de radar van hogescholen en universiteiten.
Eerstegeneratiestudenten staan steeds meer op de radar van hogescholen en universiteiten. Robin van Lonkhuijsen

De ouders van Charisma Hehakaya zaten niet in de zaal toen ze haar eerste masterdiploma kreeg. „Dat deed een beetje pijn”, zegt ze. „Maar tegelijkertijd was ik trots op mezelf. Het was me wél gewoon gelukt. In m’n eentje.”

Hehakaya (30) heeft inmiddels drie masterdiploma’s op zak en rondt deze maand haar promotie af aan het UMC Utrecht. Tussen de bedrijven door richtte ze een fonds op voor steun aan studenten die net als zij geen ouders hebben die naar de universiteit zijn gegaan. Het ‘Eerste Generatie Fonds’ van de Universiteit Utrecht helpt met geld, tweedehands laptops of praktische ondersteuning, zoals taaltrainingen. Ook gaat op haar initiatief binnenkort ‘University Pioneers’ van start om eerstegeneratiestudenten in Utrecht beter wegwijs te maken in het studentenleven, onder andere door de inzet van mentoren.

Eerstegeneratiestudenten staan steeds meer op de radar van hogescholen en universiteiten. Vrijwel allemaal bieden ze speciale introductiedagen en mentorprogramma’s aan om eerstegeneratiestudenten op weg te helpen in een wereld die ze niet van huis uit kennen.

Mijn ouders begrepen niet goed wat ik overdag deed

Dat is nodig, zegt Hehakaya. Niet omdat ze vindt dat de universiteit alle obstakels voor studenten moet oplossen, maar omdat het scheelt als er een plek is waar je terecht kunt als studeren niet vanzelfsprekend is en je geen ouders hebt die je goed kunnen helpen tijdens je studie. „De weg die ik heb afgelegd was hobbelig en ik had veel zorgen. Ik heb alles zelf moeten uitvinden. Dat wil ik andere studenten besparen.”

Faalangst

Studeren was voor Hehakaya niet vanzelfsprekend. Ze groeide op in Vught met twee oudere broers. Haar vader, van Molukse komaf, was metaalbewerker maar raakte zijn baan kwijt. Haar moeder was huisvrouw. Het gezin was arm – wat opviel in het relatief welvarende Vught. „Iedereen had het goed en wij leefden van de Voedselbank. Ik schaamde me daarvoor en was er ook vaak verdrietig over: er kon heel veel níét bij ons thuis. Niet sporten, niet op vakantie.”

Voor de ouders van Charisma Hehakaya was school niet erg belangrijk. Foto Mona van den Berg

School was niet erg belangrijk voor haar ouders. „Mijn vader zei ooit: je hoeft van mij niet te leren. Er was nul aanmoediging, ik moest het allemaal uit mezelf halen. Daar staat tegenover dat ik al op jonge leeftijd heb geleerd om voor mezelf te zorgen.”

Als ze na een lange weg op de universiteit belandt, valt pas echt op wat ze mist ten opzichte van haar studiegenoten. Waar anderen in werkgroepen met flair discussiëren en vragen stellen, is Hehakaya bang om iets te zeggen of om hulp te vragen. Podiumvrees, zegt ze achteraf. „Mijn Nederlands was niet goed en mijn Engels al helemaal niet. Ik schaamde me en was bang om m’n mening te geven. Om af te gaan voor de groep.”

Die faalangst is een gevoel dat veel eerstegeneratiestudenten zullen herkennen, zegt Jeanet van de Korput, senior onderzoeker aan Hogeschool Windesheim. Zij publiceerde deze maand een onderzoek naar eerstegeneratiestudenten waarvoor ze twintig diepte-interviews afnam. Daar zaten studenten bij met ouders die stimuleerden om door te leren ook al hadden ze dat zelf niet gedaan, maar ook studenten met ouders die niet begrepen waarom hun kind in vredesnaam vrijwillig wilde studeren. „Die kregen thuis voortdurend de vraag waarom ze nog niet aan het werk waren”, zegt Van de Korput. „Een student werd thuis ‘nerd’ genoemd.”

Buitenstaander

Eerstegeneratiestudenten hebben vaak het gevoel dat ze in twee werelden leven. Die van thuis en die van de studie. En in beide voelen ze zich niet helemaal thuis. „Ze missen een deel van het studentenleven, omdat ze gemiddeld meer moeten werken om hun studie te betalen”, zegt Van de Korput. „Ze voelen zich anders dan andere studenten, ze passen er niet goed in. Tegelijkertijd kunnen ze thuis niet altijd met hun verhalen over de studie terecht.”

Door het ‘stapelen’ van opleidingen kan een kind met een laag schooladvies toch opklimmen. Maar die route is steeds moeilijker geworden

Haar eerste jaar aan de universiteit was pittig, beaamt Hehakaya. „Ik had zo’n ander leven achter de rug dan mijn studiegenoten. Voor hen was het vanzelfsprekend om te studeren, voor mij totaal niet. Ik voelde me ongemakkelijk en onzeker. Een buitenstaander. Soms ging het over ‘simpele arme mensen’. Dat voelde naar en denigrerend. Het gaat over míjn jeugd, dacht ik dan, over míjn ouders.”

Thuis was er minstens zoveel afstand. „Mijn ouders begrepen niet goed wat ik overdag deed. Ik kon het aan tafel niet over m’n studie hebben. Dan sluipt er afstand in.”

De achtergrond van eerstegeneratiestudenten heeft invloed op hun studie, blijkt uit verschillende onderzoeken. Ze doen gemiddeld langer over hun studie dan studenten met ouders die zelf ook hebben gestudeerd en vallen vaker uit. Ze missen kennis en vaardigheden die andere studenten wel van huis uit hebben meegekregen, zegt Van de Korput. „Hun ouders hebben minder hoge verwachtingen. Ook worden studenten met ouders die de taal niet goed spreken, soms al van jongs af aan lager ingeschat door hun leraren.”

Dat heeft, wrang genoeg, ook voordelen: eerstegeneratiestudenten hebben doorzettingsvermogen, zag Van de Korput, en „een sterke intrinsieke motivatie. Ze willen er echt iets van maken.”

Limonadefabriek

Tussen zijn medestudenten was Jaber Asaksak (27) lang de enige met een Marokkaans-Nederlandse achtergrond én een van de weinigen die níét uit een artsenfamilie kwam. De zesdejaars geneeskundestudent groeide op in Bunnik waar zijn opa in de limonadefabriek werkte. Zijn moeder komt uit het Marokkaanse Rifgebergte, mocht als kind niet naar school en heeft nooit leren lezen en schrijven. Op zijn twaalfde overleed zijn vader en vanaf dat moment begeleidde Asaksak, de oudste van drie jongens, zijn moeder naar ouderavonden en naar de huisarts om te tolken. Hij vulde de papieren in en regelde alles thuis.

Jaber Asaksak kwam bij geneeskunde als een van de weinigen níét uit een artsenfamilie. Foto Mona van den Berg

Zijn moeder stimuleerde hem om goed z’n best te doen op school. „Ze zei altijd: ‘Jullie krijgen deze kans. Pak ’m ook.’ Dat heeft me enorm gemotiveerd.” Eenmaal op de universiteit duurde het lang voor hij zich thuis voelde. „Ik had geen idee wat me te wachten stond. Ik dacht dat de universiteit een soort verlengde middelbare school was. Het bleek totaal anders en het duurde lang voor ik mijn draai vond.”

Anderen konden thuis overleggen welke coschappen ze het beste konden lopen

Ook miste hij het vanzelfsprekende netwerk waar veel van zijn studiegenoten wél over beschikten. „Zij kregen geld en soms complete appartementen van hun ouders. Ze konden thuis overleggen welke coschappen ze het beste konden lopen, en welke specialisaties. Voor mij was alles nieuw. Ik had geen idee hoe ik aan de juiste connecties moest komen en hoe ik me moest gedragen.”

Pas toen hij in zijn derde jaar door een decaan werd gevraagd om mee te werken aan een programma over inclusiviteit voelde hij zich langzaam meer op z’n gemak. „Toen ontdekte ik dat er meer studenten waren die net als ik geen rijke, hoogopgeleide ouders hadden.”

Thuis kon hij niet terecht met verhalen over zijn nieuwe leven. „Op de middelbare school kreeg mijn moeder al niet alles mee. Toen ik eenmaal studeerde, werd de kloof nog groter.” Na twee jaar nam hij haar mee naar de universiteit. „Ik liet haar alles zien: dit zijn collegezalen, dit de practicumlokalen. Ze was, en is, zó trots. Maar het blijft voor haar een andere wereld.”

Onwennig en onzeker

Op sommige universiteiten, zoals de Radboud Universiteit en de Vrije Universiteit Amsterdam (VU), heeft ruim 50 procent van de bachelorstudenten ouders die zelf niet aan een universiteit hebben gestudeerd, bij andere universiteiten ligt het percentage meestal iets lager.

Tel je ook studenten mee van wie de ouders geen opleiding aan een hogeschool hebben afgerond, dan wordt het percentage een stuk lager: zo’n 30 procent.

De VU heeft sinds vijf jaar ‘Better Prepared’, een introductieprogramma vóór de algemene introductie, waarin eerstegeneratiestudenten workshops en lezingen volgen onder begeleiding van ouderejaars studenten die net als zij als eerste binnen hun gezin begonnen aan een universitaire studie.

De deelnemers, afgelopen zomer waren het er 55, komen meestal „wat onwennig” binnen, zegt Fiza Ahmed, coördinator van Better Prepared en docent sociale wetenschappen aan de VU. „Ze zijn onzeker. Het is een compleet nieuwe wereld voor ze.”

In workshops en gesprekken met de ouderejaars leren ze hoe de universiteit werkt, krijgen ze onder andere colleges over academische vaardigheden en bouwen ze een netwerk op, zodat ze zelfverzekerder aan hun studie beginnen.

Dat helpt, ziet Ahmed: „Hier merken ze dat ze niet de enigen zijn zonder hoogopgeleide ouders. En vaak realiseren ze zich na die week dat hun afkomst ook hun kracht is: ze kunnen in twee werelden laveren. Je ziet ze groeien.”

Een uitgestoken hand had hem geholpen, die eerste jaren als student, zegt Jaber Asaksak . „Als er toen iemand had gezegd: ‘Ook jij bent welkom’, had ik me minder eenzaam gevoeld en minder onzeker. Ik heb lang gedacht: ik ben niet goed genoeg, vergeleken met de rest. Achteraf denk ik: al die hobbels die ik genomen heb, daar schuilt ook veel kracht in.”

„Ik wou dat deze programma’s er waren geweest toen ik begon aan m’n studie”, zegt ook Charisma Hehakaya. „Dan had ik me absoluut minder anders gevoeld dan de rest.” Misschien, denkt ze, had ze dan wat meer genoten van het studentenleven. „Nu weet ik dat mijn afkomst me sterker heeft gemaakt, maar dat besef kwam laat. Dat is zonde.”

De mentorprogramma’s helpen, ziet Van de Korput. Maar, merkte ze in haar gesprekken met studenten: deze studenten willen niet aangesproken worden op hun afkomst. Het begrip eerstegeneratiestudent heeft voor sommigen een negatieve connotatie. „Niemand wil in een hokje worden gestopt. Deze studenten willen niet gezien worden als arm of kwetsbaar. Dat zíjn ze ook niet. Het zijn vaak bijzonder sterke mensen met veel levenservaring. Ik was erg van ze onder de indruk.”