Qatar heeft miljarden geïnvesteerd in de nationale ploeg. Het resultaat? Nul punten

Voetbal in Qatar Geen voetballand heeft zoveel tijd, geld en moeite geïnvesteerd in de nationale ploeg als Qatar. Het gastland kan tegen Oranje alleen nog de eer redden.

Het Qatarese voetbalelftal poseert voor de fotografen voor de openingswedstrijd van het WK tegen Ecuador (0-2).
Het Qatarese voetbalelftal poseert voor de fotografen voor de openingswedstrijd van het WK tegen Ecuador (0-2). Kirill Kudryatsev / AFP

Verslagen stonden de spelers van Qatar vrijdag op het gras, sommigen voorover gebogen met de handen op de knieën, anderen keken juist vertwijfeld omhoog, naar de blauwe lucht boven het Al Thumama-stadion. Met 3-1 verloren van Senegal, uitgeschakeld in de groepsfase nog voor het laatste duel – met Nederland, deze dinsdag om 16.00 uur Nederlandse tijd – is gespeeld. Nooit deed een gastland van een WK voetbal het zo slecht.

Dat de Qatarezen de poule niet zouden overleven, was waarschijnlijk. Maar met een kansloze afgang had niemand rekening gehouden. Dat zag je al aan de onthutste gezichten van in Qatarees rood-wit gestoken supporters – vrijwel allemaal migranten of nazaten van migranten uit Azië en Afrika – die de openingswedstrijd tegen Ecuador (0-2) bekeken in de fanzone van het Al-Bidda-park in Doha. Je kon het ook afleiden aan de Qatarezen in hun witte dishdasha’s, die ver voor het eindsignaal het stadion verlieten. Ze hadden er veel meer van verwacht.

Voor wie de voorgeschiedenis niet kent, is die ontgoocheling moeilijk te begrijpen, zeker bij migranten die niet eens de Qatarese nationaliteit hebben. Wat de ‘volbloed’ Qatarezen betreft: hun reactie suggereerde zelfoverschatting. Qatar heeft maar zo’n 300.000 eigen inwoners. Het land deed nog nooit mee aan een WK, geen enkele speler heeft het gemaakt buiten de eigen, bescheiden competitie. Zo bezien vielen de uitslagen nog best mee. Wat hadden ze dan verwacht?

Toch was de deceptie tot op zekere hoogte óók voorstelbaar. Fans in het Al-Bidda-park keken namelijk niet zomaar naar Qatar, een land dat hen, vaak tegen een schamel salaris, heeft ingehuurd. Ze zagen mensen zoals zij, migranten of afstammelingen daarvan, spelend op een WK in het nationale shirt van Qatar. En de Qatarezen op de tribunes keken niet zomaar naar een nederlaag van de Qatarese selectie, ze zagen dat bijna twintig jaar aan inspanningen en miljardeninvesteringen voor niets zijn geweest.

Scouten in Afrika

Geen land ter wereld heeft zoveel tijd, geld en moeite geïnvesteerd in de nationale voetbalploeg als Qatar. In zekere zin begon de bouw van het Qatarese WK-elftal zelfs nóg eerder, in de jaren negentig, toen over het plan het WK naar Qatar te halen alleen nog maar werd gefluisterd. In die jaren kwamen al de eerste buitenlandse trainers naar Qatar om het lokale jeugdvoetbal vorm te geven. Echt serieus werd het vanaf 17 november 2005, met de opening van sportcentrum Aspire. Hoeveel het precies heeft gekost is niet bekend, maar afgaande op de omvang van het complex (2,5 vierkante kilometer) en de faciliteiten (onder meer een gigantische gekoelde sporthal) moet het om miljarden zijn gegaan.

Bij Aspire moesten voortaan de beste jeugdspelers van het land worden getraind, in plaats van verspreid over lokale clubs, aangevuld met jonge talenten die Qatar op grote schaal ging scouten in Afrikaanse landen. Het was de tijd dat het Spaanse voetbal de wereld veroverde, aangevoerd door FC Barcelona en zijn tiki-taka-spel. En dus haalde Aspire dáár veel trainers en scouts vandaan. Josep Colomer bijvoorbeeld, ex-directeur van het opleidingsinstituut van Barça en oud-mentor van Lionel Messi. Later ging ook Real Madrid-ster Raúl González voor Aspire werken. De huidige coach van het Qatarese elftal, Félix Sánchez, is eveneens Spanjaard.

Je moest werken met wat je had. Er waren maar heel weinig spelers. Je kón simpelweg niet kieskeurig zijn

Arno Buitenweg jeugdtrainer Qatar

Aanvankelijk was de gedachte dat Qatar de beste buitenlandse talenten zou naturaliseren, zodat ze later voor het nationale elftal konden spelen. Maar snel na de opening van Aspire scherpte wereldvoetbalvond FIFA de regels aan: voortaan moesten buitenlandse spelers zonder familiebanden met Qatar vanaf hun achttiende minimaal vijf jaar in het land gewoond hebben gewoond om voor naturalisatie in aanmerking te komen. Daarmee ging het oorspronkelijke plan niet meer op.

Toch bleef Qatar jeugdspelers uit andere continenten, vooral Afrika, naar Aspire halen. „Zo ging het niveau omhoog en kregen de lokale spelers meer weerstand”, zegt de Nederlander Arno Buitenweg, tussen 2013 en 2019 verbonden aan Aspire als trainer van jeugdelftallen en opleidingscoördinator. Die kwaliteitsimpuls was hard nodig. Want hoe goed de coaches en faciliteiten ook waren, de spoeling bleef dun in Qatar en niet alle spelers in de opleiding waren even talentvol. Buitenweg: „Je moest werken met wat je had. Er waren maar heel weinig spelers. Je kón simpelweg niet kieskeurig zijn.”

Sportpaspoorten

De vijver waaruit Qatar zijn talenten vist is klein, maar groter dan de populatie van 300.000 die Qatarees staatsburger is. Nationaliteit betekent in de Golfstaat iets anders dan in Nederland. De Qatarese elite beschermt haar extreme rijkdom en privileges door staatsburgerschap voor te behouden aan mensen met een Qatarese vader. Ofwel: geboren worden in Qatar is niet genoeg voor een volwaardig Qatarees paspoort. Sommige migrantenfamilies wonen al generaties in het land, maar zijn nog altijd niet Qatarees. En maken dus ook geen aanspraak op de uitbundige voorzieningen die de overheid aan de eigen bevolking beschikbaar stelt, zoals gratis gezondheidzorg en onderwijs.

Dat helpt niet, als je een goede nationale voetbalploeg wil creëren. En dus maakt Qatar gebruik van een uitzondering. „Het land verstrekt zogenaamde mission passports, een soort sportpaspoorten, aan talentvolle sporters”, vertelt sporthistoricus Gijsbert Oonk (Erasmus Universiteit). „Daarbij word je Qatarees, minus heel veel rechten. Soms staat er ook een financiële vergoeding tegenover.”

Qatarese fans in Doha bij de wedstrijd tussen Qatar en Ecuador. Foto Anne-Christine Poujoulat / AFP

Veel talenten binnen Aspire hebben dan ook een migrantenachtergrond, zag Arno Buitenweg. Zij komen binnen via een „enorme scoutingafdeling”, die alle jeugdspelers in Qatar in beeld heeft. Eenmaal binnen krijgen ze een professionele voetbalopleiding. Ze spelen tegen jeugdelftallen van topclubs uit Europa die op uitnodiging van Qatar naar Aspire komen. Andersom gaan Aspire-teams regelmatig op tournee naar Europa, waar de academie zelfs een paar clubs heeft gekocht (KAS Eupen in België en Cultural Leonesa in Spanje).

„Daar hebben we oudere spelers gestald om ervaring op te doen,” zegt Buitenweg. Soms reisde hij zelfs met zijn spelers naar Senegal, waar Aspire een dependance had. Die trips waren vooral bedoeld voor de volbloed Qatarezen in het team. „We wilden ze laten zien hoe het is om niet zo rijk te zijn. En dat je er maximaal voor moet gaan als je iets wil bereiken.”

Kampioen van Azië

Het heeft gewerkt, kun je zeggen als je naar de huidige selectie kijkt van Qatar. Achttien van de 26 spelers zijn opgeleid bij Aspire. Veruit de meesten van hen zijn kinderen van migranten of op heel jonge leeftijd naar Qatar verhuisd, ook de twee beste spelers, aanvallers Akram Afif en Almoez Ali. Afif, die een paar jaar bij Eupen speelde, werd geboren in Doha als zoon van een Somalische vader en Jemenitische moeder. Ali (ex-Leonesa) kwam als klein kind van Soedan naar Qatar. Mohammed Muntari, de maker van het enige WK-doelpunt voor Qatar, is geboren en opgegroeid in Ghana.

Een stuk of zes spelers in de selectie hebben Qatarese ouders en zo is het nationale elftal min of meer een afspiegeling van de bevolking van het land. In 2019 werden ze met het nationale elftal kampioen van Azië en barstte een volksfeest los in Doha.

Maar het is ook niet gelukt, gelet op de torenhoge ambities van Aspire. Geen enkele speler uit de opleiding heeft immers de internationale top gehaald. Dat werd pijnlijk duidelijk op dit WK tijdens de eerste twee wedstrijden, die kansloos verloren gingen.

Toch wil Félix Sánchez, de Spaanse bondscoach van Qatar, van een afgang niets weten, zei hij maandagmiddag op een persconferentie. Want: „We hebben tegen geweldige teams gespeeld.” Oranje is nog beter, vindt Sánchez, toch kijkt hij uit naar de wedstrijd. „We gaan alles geven. En genieten. Dan zullen de mensen trots zijn.”