Reportage

In de Zweedse stad Kiruna wijkt zelfs de iconische kerk voor de ijzerertsmijn

Mijnbouw Het erts onder Kiruna, in noordelijk Zweden, biedt werk aan de hele stad. Omwille van de mijn wordt nu het stadscentrum door staatsbedrijf LKAB verplaatst. De bewoners gingen akkoord – morrend.

De ijzerertsmijn in Kiruna. De inwoners van de stad moeten de komende jaren vertrekken uit het oude centrum omdat het gebied onveilig is vanwege mijnbouw.
De ijzerertsmijn in Kiruna. De inwoners van de stad moeten de komende jaren vertrekken uit het oude centrum omdat het gebied onveilig is vanwege mijnbouw.

In de Zweedse stad Kiruna zijn ze er inmiddels aan gewend: gebouwen die door de straten rijden. Om de zoveel tijd tillen verhuizers met hijskranen een huis op een oplegger en slepen dat vervolgens naar een ander deel van de stad.

Anna-Bella Rundquist weet dat het op een dag ook zal gebeuren met de houten kerk, het icoon van Kiruna. Maar Rundquist, de koster van de kerk, ligt hier niet wakker van: daarvoor heeft ze het al te vaak zien gebeuren. Ze wijst naar de fundamenten van het meer dan honderd jaar oude gebouw. „Daar leggen ze ijzeren balken onder”, legt ze uit. Kwestie van optillen en een paar kilometer naar het oosten rijden.

Er is een gezegde in Kiruna, de noordelijkste stad van Zweden: LK ger, LK tar. Ofwel: LK geeft, LK neemt. De twee letters staan voor het Zweedse staatsbedrijf LKAB, dat vlakbij Kiruna de grootste ijzermijn van Europa uitbaat.

Wat LK geeft, kun je in het oosten van de stad aanschouwen. Daar is een compleet nieuw stadscentrum verrezen, inclusief moderne bibliotheek, stadhuis en winkelcentra – allemaal net een paar weken officieel open. Het centrum is opgezet volgens de jongste stedenbouwkundige trends: kronkelende voetgangersstraten, gebouwen van een paar verdiepingen dicht op elkaar, veel winkels en cafés. Allemaal betaald door het mijnbouwbedrijf.

Wat LK neemt, dat zie je in het westen van Kiruna. Het oude centrum is vervallen en verlaten. Het wordt de komende jaren gesloopt: het gebied is inmiddels onveilig vanwege de mijnbouw die onder de stad plaatsvindt. De woontorens staan leeg, het stadshotel is gesloten, kriskras door het gebied staan hekken. En overal groeit onkruid. Gebouwen die als bijzonder gelden, zoals de kerk en de oude brandweerkazerne, worden de komende jaren geheel en al een paar kilometer verderop geplaatst.

De verhuizing kost één miljard euro en wordt volledig betaald door LKAB - en dus door de Zweedse staat. Het is een voor Europa uitzonderlijk project. In de recente geschiedenis verhuisde niet eerder een heel stadscentrum. Hoe doe je dat? En hoe is het voor de inwoners wanneer de straten waarin je al je hele leven rondloopt opeens verdwijnen?

Gehecht aan het uitzicht

Juwelier Frederik Andersson is een van de laatste winkeliers in het oude gedeelte van Kiruna. Als je hem vraagt waarom hij nog niet is verhuisd, heeft hij zijn antwoord klaar: het uitzicht. Vanachter de toonbank van zijn winkel kan hij bij helder weer tachtig kilometer verderop de Kebnekaise zien liggen – met ruim 2.000 meter de hoogste berg van Zweden. „Dat heb ik in het nieuwe centrum niet.”

De buitenstaander vergaapt zich in Kiruna (18.000 inwoners) alleen maar aan het zicht op de gigantische mijn, die zich bijna overal vanuit het oude centrum in de verte laat zien: lichtjes, trucks, eindeloos lange goederentreinen en een gigantische kunstmatige berg. Maar de inwoners kijken hier allang overheen, en roemen stuk voor stuk de natuurlijke schoonheid van Zweeds Lapland.

Elke nacht om half twee is in Kiruna een harde knal te horen. LKAB slaat dan een nieuw gat in het onderaardse stelsel van de mijn. ’s Ochtends zijn de giftige dampen van de explosie vervlogen en gaan de mijnwerkers het onderaardse complex in met hun enorme graafmachines. Op één dag laden ze meerdere treinen vol, met in totaal 85.000 ton ijzererts. Die rijden in een paar uur naar de ijsvrije haven van Narvik in Noorwegen, waar het erts wordt overgeslagen op schepen die het naar staalfabrieken elders in Europa varen – waaronder die van Tata Steel in IJmuiden.

‘We bestaan vanwege de mijn’

Het is een lucratief raderwerk, dat al meer dan 120 jaar zo draait – ook tijdens WO II, toen de Duitse oorlogseconomie afhankelijk was van het ijzererts uit het neutrale Zweden. De winst van staatsbedrijf LKAB bedroeg in 2021 ruim 1,2 miljard euro. Dat geld vloeit direct naar de staatskas.

Zonder mijn was er geen Kiruna geweest. Hier boven de poolcirkel, waar in de winter wekenlang geen daglicht is, trotseerden bijna alleen Sami-rendierhouders de kou – totdat de exploitatie in 1898 begon. Dat gebeurde onder leiding van Hjalmar Lundbohm, die in het stadje als een held wordt geëerd. Zijn oude woonhuis is al verplaatst.

„We bestaan vanwege de mijn”, zegt Anna-Bella Rundquist voor de deur van haar kerk. Ongeveer 2.000 inwoners van Kiruna werken in het bedrijf. En dus, zo verwoordt ze wat veel andere inwoners ook zeggen, moeten we de verhuizing wel accepteren.

Al bijna twintig jaar is duidelijk dat het oude centrum op een gevaarlijke plek ligt. LKAB moet steeds dieper graven om bij het ijzererts te kunnen, waardoor de structuur van de bodem verandert en de kans op verzakkingen toeneemt. Begin deze eeuw meldde LKAB dat de mijnbouw alleen kon doorgaan als het stadscentrum een andere plek zou krijgen.

In elke andere stad zou het vermoedelijk tot enorme ophef hebben geleid, maar niet in Kiruna. Bewoners en gemeente slikten het idee, en LKAB schakelde rond 2012 het bekende Zweedse architectenbureau White in. Dat ontwierp een nieuw centrum aan de oostkant van de stad. Het heeft de afgelopen jaren voor een groot deel vorm gekregen, begin september was de officiële opening. Maar af is het nog lang niet. Het staat er vol hijskranen en de bouw loopt nog jaren door. Ondertussen verdwijnt in fasen het oude centrum.

Meer ruimte voor cultuur

„Het idee was: om een goed nieuw centrum te ontwerpen, moeten we begrijpen hoe de inwoners van Kiruna over hun stad denken”, vertelt Krister Lindstedt van White, hoofdontwerper van het nieuwe centrum.

Lindstedt ging twee jaar in Kiruna wonen en werkte samen met antropologen. Uit gesprekken bleek dat de inwoners erg gesteld zijn op de natuur en de wildernis, en graag meer ruimte voor cultuur en ontmoeting zouden hebben. Veel vrouwen trekken nu weg voor studie of werk; tot de mijn voelen ze zich minder aangetrokken dan mannen, en het ontbreekt aan voorzieningen die Kiruna ‘leuk’ maken, zoals musea.

Tegelijkertijd bleken de inwoners erg gesteld op hun oude centrum. Niet per se om het uiterlijk van de gebouwen, maar vanwege de emotionele waarde. Een ogenschijnlijk doorsnee hamburgertentje als Empes heeft voor velen een grote gevoelswaarde: er zijn herinneringen aan afspraakjes en rondhangen met vrienden. Lindstedt: „Dus we wilden zoveel mogelijk meenemen uit het oude centrum.”

Nu heeft het nieuwe stadhuis, tevens klein kunstmuseum, de houten deurknoppen van zijn voorganger. Op het centrale plein staat ook de klokkentoren van het oude stadhuis. En in de centrale winkelstraat hangt een neonbord met ‘centrum’ erop, dat al decennia dienst deed in het oude stadshart. Veel gebouwen volgen de komende jaren nog.

Op het eerste gezicht lijken de intenties van Lindstedt geslaagd. Op zaterdagmiddag zie je in het nieuwe centrum veel inwoners die de gebouwen fotograferen. Het is er mooi, zeggen twee jonge moeders. Gunnel Tjäder, die lokale ambachtsproducten verkoopt, vindt haar nieuwe winkelruimte veel beter dan in het oude centrum.

Maar als je de bewoners langer spreekt, dan hoor je ze ook over het gemis. „Misschien dat ik er over een paar jaar aan gewend ben”, zegt Helena Mattson. Ze woont al haar hele leven in Kiruna, en begint net als bijna iedereen over het uitzicht op de natuur vanuit het oude centrum. „Als het kon, zou ik nog naar het oude centrum gaan om te winkelen.”

Weerwoord van historici

Op de zolder van een houten pand in de oude stad bladert Kenneth Johansson door een fotoboek. „Het spoorweghotel, dat is weg. Het station zelf is ook weg. Van het oude bedrijfshotel hebben ze een deel behouden.”

Echt verzet was er in Kiruna nooit tegen de verhuizing. Maar als er iets van weerwoord is geweest, dan kwam het van Kenneth Johansson en Harald Ericson van de historische vereniging.

De twee gepensioneerden bedachten alternatieve plannen, praatten eindeloos met LKAB en de gemeente. Ze vonden dat veel meer panden gered moesten worden. Kon het hele centrum niet nagebouwd worden op een andere locatie? Johansson pakt een oud krantenartikel erbij. „Uit een enquête die we hadden georganiseerd, bleek dat de inwoners wilden dat er méér panden gered zouden worden.”

Het leidde tot weinig. Wat ze toegezegd kregen, was dat ze op kosten van LKAB alle gebouwen uit het oude centrum uitgebreid mochten documenteren. Die klus is geklaard, daar zijn ze blij mee – maar de frustratie is niet weg. Johansson: „Ik vind het gewoon niet leuk dat ze mijn stad afbreken.”

Ze stellen voor nog een rondje te lopen. Bij die wandeling, door de uitgestorven oude stad, wijzen ze liefdevol op de houten patroontjes in gebouwen die tegen de vlakte zullen gaan. Bij een grasveldje vertellen de twee dat hier het oude stadhuis stond. Het gebouw uit 1958 was een monument, maar de status werd ingetrokken en het gebouw gesloopt. „Money talks”, zegt Ericsson, terwijl hij met duim en wijsvinger wrijvend het gebaar voor geld maakt.

De toegangspoort van het oude gebouw staat er nog, ter herinnering. Als bij een schilderij omlijst hij precies het uitzicht op de mijn.