Recensie

Recensie Muziek

Lina en Raül Refree halen bijna ‘heilige’ fado helemaal uit elkaar

Fado-vernieuwing De Spaanse muziekhervormer Raül Refree en Portugese zangeres Lina halen de bijna-heilige fado binnenstebuiten. Niet makkelijk, af en toe wel bloedmooi.

De Portugese zangeres Lina (Lina Cardoso Rodrigues).
De Portugese zangeres Lina (Lina Cardoso Rodrigues). Foto Taufan Adia Putra

Fado is bijna heilig. De Portugese zangkunst is sensueel, poëtisch en een beetje mystiek, en goed uitgevoerd heeft het iets onaanraakbaars. Maar dat is volgens de Spaanse producer Raül Refree (Raül Fernandez Miró) en Portugese zangeres Lina (Lina Cardoso Rodrigues) geen reden om het niet eens helemaal uit elkaar te halen om te zien wat er overblijft. Specifieker: de muziek van de belangrijkste fadozangeres van allemaal, Amália Rodrigues – nóg heiliger.

De twee werkten geweldig met contrasten, zaterdag in De Doelen in Rotterdam. Qua geluid – het gemanipuleerde orgel- en vleugelspel van Refree soms buitenaards, haar zang juist vol emotie – maar ook qua belichting. Ze begonnen bijna geheel in het duister met alleen een zoeklicht achter Refree, en een wazig spotje op zangeres Lina die in een lange zwarte jurk met kap op openingsnummer ‘Medo’ zong. Het spel met tegenlicht, gedeeltes helemaal donker en ietsje lichter, had een grote toegevoegde waarde.

Dieper het experiment in

De twee vielen al op in Groningen tijdens festival Eurosonic. Lina leek wat zelfverzekerder nu, duidelijk gegroeid in haar samenwerking met de Catalaan, die dieper in het experiment dook. Refree is een onvermoeibare muziekhervormer: hij maakte met Rosalía haar debuutplaat en werkte onlangs aan het nieuwe album van flamenco-vernieuwer Niño de Elche. Hij was zaterdagavond op een prettige manier de onvoorspelbare factor. De brommende tonen uit zijn orgel konden mokerslagen zijn, de noten uit zijn vleugel koud en scherp als werpsterren. En dan weer lieflijk, klein en bloedmooi. Refree hing diep over zijn toetsen heen, en kroop op een goed moment zelfs zijn vleugel in, om op de snaren een ritme te slaan.

Lina zorgde voor stabiliteit, met telkens een heldere melodie tegenover zijn experiment. Als ze even in een tornado van geluid leek te worden meegezogen, dreef haar stem hoog bovenop de noten. Zelf ging ze op in de duisternis, of ze liet haar silhouet op de muur zingen.

Weglopers

Het was niet voor iedereen: al na een paar nummers verlieten enkelen de zaal. Tja, de reconstructie van de muziek naderde soms destructie. In de bijna-duisternis, waar alleen de knipperende lichtjes van de mengpanelen te zien waren, was dat niet alleen interessant, maar ook een uitdaging, soms zelfs een beetje onaangenaam. Maar aangename fado is er al zoveel, en Lina en Refree haalden eruit wat blijkbaar ook in de muziek van Amália Rodrigues verscholen zat. Wie wegging miste bovendien het prachtig ‘Cuidei que tinha morrido’, waarin ze de intensiteit tot het uiterste opvoerden en zo toch een beetje tegen het heilige aanschurkten.