Recensie

Recensie Muziek

Je ziet het Concertgebouworkest opbloeien onder Klaus Mäkelä (26)

Klaus Mäkelä als dirigent & cellist De toekomstige chef van het Concertgebouworkest is óók een geweldige cellist. Dit weekend jongleerde hij virtuoos zijn twee stokken.

Het Concertgebouworkest onder leiding van Klaus Mäkelä speelt Mozarts Requiem.
Het Concertgebouworkest onder leiding van Klaus Mäkelä speelt Mozarts Requiem. Foto Eduardus Lee

Wat maakt een dirigent geweldig? Het verschil tussen een 7 en een 9 is te duiden; talent, ervaring, partituurkennis, visie. Maar de sprong van een 9.5 naar een 10 snap je nooit helemaal. Die schuilt in de onzichtbare maar hoorbare vibraties tussen de musici en degene die voor hen staat. Voor iemand het beste uit jezelf willen halen, samen ademen, vrijuit kunnen spelen.

De jonge Fin Klaus Mäkelä (26), vanaf 2027 de nieuwe chef-dirigent van het Concertgebouworkest, leerde van zijn oud-docent Jorma Panula dat je de beste startkwalificatie creëert door als dirigent zelf ook musicus te zijn. De voorbeelden van zijn gelijk zijn talloos. Alleen al bij het Concertgebouworkest waren Bernard Haitink, Mariss Jansons en Jaap van Zweden violist, Van Beinum speelde viool en piano – enzovoort. Eenmaal actief als dirigent verdween het instrument vaak de kist in.

Maar de nieuwe generatie dirigenten pakt dat anders aan. Bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest schuift chef Lahav Shani geregeld achter de vleugel. In het Amsterdamse Muziekgebouw was Klaus Mäkelä zaterdag ook als cellist te beluisteren – collegiaal omringd door musici uit het Concertgebouworkest.

De opzet van het ‘Café Brahms’ gedoopte programma was simpel: kamermuziek van Brahms in huiselijke setting. De drukbezette Mäkelä mocht van altviolist Michael Gieler (organisator van de concertserie) eerst „even chillen als thuis” op de sofa, terwijl zijn collega’s een kwartet van de Finse componist Aulis Sallinen speelden. Maar thuis is voor Mäkelä allang niet meer alleen Finland, zei hij diplomatiek, het is óók Oslo, Amsterdam en Parijs – waar zijn orkesten zijn gevestigd. En thuisgevoel brengt hem ook zijn nieuwe cello van Carlo Tononi uit 1720, waar hij „nog helemaal verliefd op is” en die met hem „meereist op een extra geboekte stoel”.

Dirigent Klaus Mäkelä speelt cello tijdens Café Brahms in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Foto Emelie Schäfer

Mäkelä en de Tononi leerde je daarna beter kennen in Brahms’ Strijksextet in Bes. De cello was geen ideale match voor Brahms; iets te subtiel en gevoileerd, maar wel fraai versmeltend met altviool-aanvoerder Santa Vizine en in elegante dialoogjes met violist Tjeerd Top. Nergens nam Mäkelä dominant het voortouw: hij schikte zich als één van de zes tussen de musici en viel vooral op door de zangerigheid en de welsprekendheid van zijn solopassages.

Feest-Requiem

Als dirigent leidde Mäkelä het Concertgebouworkest deze week in Mozarts Requiem en Sibelius’ ondoorgrondelijke, fascinerende Vierde symfonie. Van duister naar dood: zo gaf hij meteen zijn visitekaartje af als liefhebber van onorthodoxe programma’s.

De Vierde bleek een revelatie. Nog voor de eerste noot klonk zag je – tekenend voor wat volgde – hoe Mäkelä de cellogroep met oogcontact mobiliseerde voor een openingsklaagzang op z’n klaaglijkst. Überhaupt: wat gonzen en bronzen de strijkers prachtig onder zijn sierlijke leiding. Walsflarden bleken bij die lichaamstaal óók gebaat, terwijl Bruckneriaanse bevingen en omineuze houtblazers het gevoel gaven dat er iets op uitbarsten stond en andere momenten het lijdensmotief uit Wagners Parsifal echoden. In de overgangen tussen passages zat soms een braampje op de las, sommige zuchten konden nóg dieper. Maar dat deed niets af aan de kracht van de reis: een symfonische pelgrimage naar de krochten van de menselijke ziel, waarbij je aan alles zag hoezeer het orkest onder Mäkelä opbloeit.

Mozarts Requiem was daarna een vervreemdende ervaring – alsof na het duister van Sibelius toch iets van licht moést volgen. Het door Peter Dijkstra voorbereide Nederlands Kamerkoor straalde 32 man sterk in alle stemgroepen; om als koorliefhebber van te kwijlen zo goed (Lacrimosa, Hostias). In de solistenbezetting openden sopraan Sabine Devieilhe en tenor Julian Prégardien, beiden onaards goede zangers, de poorten naar het Paradijs. Maar de tempi die Mäkelä koos lagen in bijna alle delen zo extreem hoog dat van loutering of introspectie geen sprake kon zijn. Hier prevaleerden atletische virtuositeit en discipline: alsof elke noot met eigen energie gevuld moest worden. Helse vuurtongen klonken als feestende cherubijnen. Zo verrees een Requiem vol energie en vitaliteit, maar (nog) zonder schuld, boete of verdriet.