Opinie

Zie ik er soms uit als iemand die een bos bloemen weigert?

Marcel van Roosmalen

In het theater van Alkmaar raakte ik aan de praat met een bezoeker die principieel tegen snijbloemen is. De eerste gedachten bij dit soort gesprekken zijn altijd: ‘Waarom ik?’ en ‘hoe ben ik hier nou weer ingetuind’?

Zie ik er soms uit als iemand die een bos bloemen weigert?

Dat gelukkig niet direct, meneer sprak iedereen aan. Hij zei dat steeds meer podiumkunstenaars na hun performance geen bos bloemen meer wilden. Want bloemen vragen er ook niet om, om bij de enkels te worden afgezaagd.

„Stel je dit voor: ze verwonden je, zetten je in koud water en een week later ben je dood. Wie zijn wij om dat te doen?”

Zo had ik er nog nooit over nagedacht.

En daar had ik het bij kunnen laten, ik had bovendien niet eens bloemen gekregen, maar ik moest zo nodig beginnen over de sojaboon die ook nergens om vraagt, de sprinkhaan die boordevol eiwitten schijnt te zitten en de rat die net zo lekker of vies als een konijn schijnt te smaken. Alles om aan te tonen dat je toch ergens een grens moet trekken.

Vindt fruit het niet veel lekkerder om weg te rotten aan de boom? En boerenkool? Ben je eindelijk in je element, trekken mensen je uit de grond.

Altijd maar weer die rotmensen.

Spijt van de discussie waarin ik daarna belandde. Ik verloor tijd die nooit meer terugkomt, tijd die ik ook had kunnen benutten door met vrienden een biertje te drinken of door eens eerder op huis aan te gaan. Zoals dat gaat: het idee nestelt zich ongewild toch in het hoofd. Toen ik vorige week vrijdag op de markt in Wormer een paar bossen bloemen kocht, kwam het eruit. Ik hoorde mezelf aan de verkoopster vragen of haar bloemen geleden hadden.

„Het zijn bloemen”, antwoordde de vrouw. „Ik heb ze nog nooit horen klagen.”

Ik knikte en vroeg door: „Hebben ze überhaupt gevoel?”

Achter me hoorde ik ze over me praten.

„Heb je hem weer.”

Thuis zette ik de bloemen in een vaas op de vensterbank.

Ze stonden er vrolijk bij, het bracht leven in onze door een styliste van de makelaar leeggeplukte woonkamer.

Daar was Leah van Roosmalen, mijn vroegwijze dochter van vijf. Ze liep zonder iets te zeggen naar de vensterbank en verplaatste de vaas. „Ze vinden het in de zon niet fijn”, zei ze.

Daarna: „Dat zeggen ze tegen mij.”

Ik geloof haar.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.