Zou het gedroomde Europese gevechtsvliegtuig er nu toch komen?

Investeringen defensie De Europese defensiesamenwerking schiet ernstig tekort, vindt de Europese Commissie. EU-lidstaten moeten, net als met de coronavaccins, samen materieel aanschaffen.

De onthulling van een model van het nog te bouwen Europese gevechtsvliegtuig in Parijs in 2019.
De onthulling van een model van het nog te bouwen Europese gevechtsvliegtuig in Parijs in 2019. Foto Yoan Valat, AFP

Aangejaagd door Vladimir Poetin komt een Europees alternatief voor de Amerikaanse F-35 misschien tóch van de grond. De regeringen in Berlijn en Parijs verklaarden vorige week dat ten langen leste een akkoord was bereikt over de volgende fase van het Europese gevechtsvliegtuig dat Duitsland en Frankrijk met Spanje ontwikkelen. Deze week zei de topman van de deelnemende Franse vliegtuigbouwer Dassault echter dat het ging om een „politieke pseudo-aankondiging”, dat de deal nog niet rond was. Er bestaat onder meer onenigheid over de werkverdeling en de eisen aan het toestel.

Alle ogen zijn dus gericht op de Franse premier Élisabeth Borne, vrijdag op bezoek in Berlijn, en de Duitse bondskanselier Olaf Scholz. Als zij een akkoord tekenen, kan vijf jaar na de aankondiging de bouw van een demonstratiemodel beginnen. Vanaf 2040 zou het gevechtsvliegtuig te koop zijn. Maar misschien wordt het pas 2050, waarschuwde Dassault-baas Eric Trappier al.

Het grootste en meest prestigieuze Europese defensieproject, met een waarde van 100 miljard, laat zien hoe stroef de Europese defensiesamenwerking tot nu toe verloopt. Maar de mogelijke doorstart laat ook het nieuwe gevoel van urgentie zien. Kort na de Russische aanval op Oekraïne in februari spraken de leiders van de EU-lidstaten in het Franse Versailles af „de Europese defensie-capaciteiten te versterken”, onder meer door hogere uitgaven en meer samenwerking.

Met die hogere uitgaven zit het wel goed, concludeerde de Europese Commissie vorige week op basis van het jaaroverzicht van het Europees Defensie-agentschap. De totale uitgaven stegen van minder dan 170 miljard euro in 2014 tot 214 miljard vorig jaar, en zullen steil verder stijgen tot ruim 280 miljard in 2025. Uitstekend, vindt de Commissie – met de kanttekening dat de uitgaven na de financiële crisis in 2008 zo zijn gedaald dat de schade aan de militaire reserves pas volgend jaar is hersteld.

Dat komt ook door de oorlog in Oekraïne. De afgelopen negen maanden leverden de EU-landen bij elkaar zo’n 8 miljard euro aan materieel aan het Oekraïense leger. Die wapens kwamen goeddeels uit de eigen reserves – die al niet vol zaten. Hoe het negen maanden later precies is gesteld met de Europese voorraden wil natuurlijk niemand hardop zeggen, maar het houdt zeker niet over. Duitsland heeft, als het wordt aangevallen, munitie voor één à twee dagen. Maar daarvoor trekken EU-lidstaten dus nu royaal de portemonnee.

Lees ook dit profiel van de Duitse wapenfabrikant Rheinmetall: Wordt de verguisde Duitse munitiemaker een paradepaardje?

Lege schappen

Over de samenwerking is de Europese Commissie veel minder te spreken. Ze maakt zich met name zorgen over het gebrek aan coördinatie tussen lidstaten bij de aanschaf van defensiematerieel. Zo drijven ze de prijs op. Bovendien kan er een run op bepaald wapentuig ontstaan, met lege schappen tot gevolg, waarbij de meest kwetsbare lidstaten allicht achter het net vissen.

De Commissie vindt dat lidstaten daarbij onvoldoende rekening houden met de Europese defensiestrategie op de langere termijn. Zonder coördinatie is de kans op enerzijds doublures en anderzijds leemten in het totale Europese arsenaal groot.

EU-landen investeren ook onvoldoende in de ontwikkeling van Europese defensieprojecten, aldus de Commissie. Lidstaten zijn alleen bereid te investeren in de nationale industrie, en anders kopen ze liever bij niet-Europese leveranciers, voornamelijk in de Verenigde Staten, als die sneller of goedkoper kunnen leveren dan Europese leveranciers.

Europese landen moeten meer samenwerken, maar sneller is het allerbelangrijkst

Dat illustreerde de Nederlandse defensieminister Kajsa Ollongren (D66) vorige week in Brussel. Zij zei geen bezwaar te hebben tegen inkopen in de VS. Europese landen zouden wel meer samen moeten aankopen, erkende Ollongren, maar „sneller is het allerbelangrijkst”. De Commissie denkt daar anders over. Zij waarschuwt dat ontwikkeling van de Europese defensie-industrie nodig is voor een zekere militaire autonomie.

Daarvoor bestaat al een Europees Defensiefonds, dat jaarlijks ruim een miljard besteedt aan defensieprojecten met minimaal drie deelnemende EU-lidstaten. Geïnspireerd door de gezamenlijke inkoop van coronavaccins heeft de Commissie ook een bureau opgezet met 500 miljoen in kas voor coördinatie van gezamenlijke aankopen door tenminste drie lidstaten. EU-buitenlandcommissaris Josep Borrell vroeg de Europese defensieministers recentelijk het aandeel van gezamenlijke uitgaven van amper 18 procent dit jaar bijna te verdubbelen naar 35 procent in 2030.

‘Een proefballon’

Maar zo makkelijk gaat dat niet, denken vertegenwoordigers van de Europese wapenindustrie, die zich vorige week in Rotterdam hadden verzameld voor een beurs. Hij juicht meer samenwerking wel toe, zegt Paul Glaser, financieel directeur van de Duitse botenbouwer Thyssenkrupp. „Landen moeten afstemmen wie zich waarin specialiseert. En hun eisen gelijkschakelen.”

Maar Glaser ziet nog onvoldoende politieke wil. „Europese landen begrijpen nog niet dat we naar een oorlogsindustrie toe bewegen. Er moet veel meer en sneller worden geproduceerd. Dat lukt ons niet als alle legers andere standaarden hanteren.” Net als andere sectoren kampt de defensie-industrie met personeelstekorten, haperende aanvoerlijnen, hoge energieprijzen.

Een medewerker van een andere grote Duitse speler in de defensie-industrie, die anoniem wil blijven, gelooft er helemaal niets van dat de EU-lidstaten beter zullen samenwerken. Hij weet niet of de oproep van Borrell „een utopie” is of „een proefballon”, maar hij proeft in elk geval emotie: „Europa is in paniek”.

Zonder adempauze kan hij de problemen bij gezamenlijke aanschaf opsommen: verschillende regelgeving, verschillende timing van budgetten, verschillende standaarden, verschillende nationale belangen. Nog even los van de administratie, en mededingingsrecht. Landen hechten bovendien aan soevereiniteit en willen geen legeronderdelen afstoten.

Elk land wil álles doen, beaamt Gerlof de Wilde, die jaren voor het Europees Defensie-agentschap werkte en nu voor de Europese Commissie werkzaam is. „Het probleem is: er is niet één Europees leger, niet één centrale klant.” In de EU vliegen nu 44 verschillende typen helikopters en rijden 12 modellen tanks.

Maar zo somber als de voorgaande spreker is De Wilde niet. „Het kost tijd, maar het gaat met kleine stapjes de goede kant op.” Hij noemt de negen A330 tanktoestellen, waarmee zes Europese landen samenwerken, een goed voorbeeld, net als de intensieve samenwerking tussen de Nederlandse en de Belgische marine.

Lees ook dit interview: ‘Ik heb veel Frans-Duitse pieken en dalen meegemaakt. Maar wat er nu gebeurt, slaat alles’

Tussen Duitsland en Frankrijk loopt het als gezegd minder soepel. Van de vijf programma’s die de landen in 2017 samen lanceerden, zit er – na de nodige vertraging – nu alleen schot in de ontwikkeling van een Europese drone. Behalve het gevechtsvliegtuig zijn andere hoofdpijndossiers de ontwikkeling van een Europese gevechtstank, maritieme patrouillevliegtuigen en een Europese gevechtshelikopter. Scheve ogen zijn er ook over een Europees raketschild dat Duitsland zonder Frankrijk wil opzetten met materieel uit de VS.

Grof samengevat komt het er telkens op neer dat Frankrijk pleit voor Europese autonomie (bij voorkeur onder Franse leiding) en Duitsland graag op de VS blijft leunen. Omwille van de trans-Atlantische betrekkingen – inkoop is ook geopolitiek – en vanwege de prijs. Wat reeds op de plank ligt is goedkoper dan wat nieuw moet worden ontwikkeld. Daarom zwichtte ook Duitsland recent voor 35 Amerikaanse F-35’s. Het kon niet wachten op de Europese opvolger, luidde de Duitse verklaring. Een verkeerd signaal, klonk het ziedend in het Frans.

Deze week reisden Duitse en Franse regeringsfunctionarissen heen en weer om enkele plooien glad te strijken. En dat is maar goed ook, zegt De Wilde van de Commissie: „Frankrijk en Duitsland moeten er eerst samen uit zijn. Pas dan kan er in Europa worden samengewerkt.”