Recensie

Recensie Boeken

Volgens zijn kleinzoon was architect Berlage een roofvogel die overal wat vandaan pikte

Architectuur Hoe kwam Berlage aan zijn liefde voor de schoorsteen? Kleinzoon Max van Rooy laat in een nieuwe biografie de wording van de architect goed uit de verf komen.

De beurs van Berlage in 1929 Foto Van Bilsen/ANP
De beurs van Berlage in 1929 Foto Van Bilsen/ANP

‘Roofvogel’, het is een opvallend beeld van biograaf Max van Rooy voor zijn grootvader, architect Hendrik Petrus Berlage (1856-1934). We treffen het woord tweemaal aan in ‘Heb ik dat gemaakt?’ De vormende jaren van H.P. Berlage, bouwmeester. Van Rooy laat deze roofvogel ‘uit het ei komen’ tijdens Berlages vormende Grand Tour in 1880-’81. Te Rome bij het Colosseum aangekomen noteert de toekomstige bouwmeester op zijn vierentwintigste: ‘Ik voelde iets gevonden te hebben waarnaar ik zocht.’ Kopiëren om te leren, zo verduidelijkt Van Rooy, was bon ton voor jonge beeldend kunstenaars en architecten tijdens de Grand Tour. ‘Het was de beste manier om het klassieke cultureel erfgoed in de vingers te krijgen.’

De jonge Berlage laat zijn arendsblik niet alleen op de stenen omgeving vallen. Hij noemt de drommen geestelijken in de Heilige Stad ‘zwarte figuren die zich met schuinse, niet open blik voortbewegen’, noteert ‘smerigheid’ bij straatslijpende monniken, de ‘antiquarisch persoon’ van de paus acht hij ‘een slag in ’t aangezicht van ieder weldenkende’. Al op jonge leeftijd lijkt Berlage een papenvreter.

Maar ook de protestanten komen er niet zonder kleerscheuren af: ‘Is niet uw eerste beweging bij het zien uwer naakte kerkmuren de jas dicht te knopen en de kraag op te zetten, vooral wanneer de gure noordenwind blaast? Uw huizen voor godsdienstoefening… De koude onverschilligheid komt u tegemoet.’ Daar doen de katholieken het met alle kunstversiering van hun ‘heerlijke kathedralen’ dan toch weer beter: ‘Men voelt eerbied, de hand grijpt onwillekeurig naar de hoed.’

Onenigheid op kantoor

‘Roofvogel’ is een eigenaardig woord voor de stille, nogal in zichzelf gekeerde man die ‘Hein’ Berlage was en blijven zou. Erg weerbaar in de persoonlijke omgang lijkt hij niet, ook als hij een architect met personeel is. Bij onenigheid op kantoor neemt hij zijn hoed van de kapstok en gaat uit voor een ommetje. Van openbaar debat moet hij niet veel hebben, hij schuwt polemiek. Max van Rooy citeert zijn moeder en Berlagedochter: ‘Hij zei vroeger thuis nooit wat aan tafel.’

Gaande de eerste hoofdstukken van deze levensbeschrijving krijg je het gevoel aan een boek te zijn begonnen over een nogal saaie man. Beslist niet passend bij het beeld van een scherpe snavel, klauwen of de schrille roep van de buizerd. De titel van Van Rooys Heb ik dat gemaakt? (Berlages woorden bij de aanblik van de door hem ontworpen, beroemde Beurs aan het Amsterdamse Damrak) suggereert daarbij een zekere naïviteit van de hoofdpersoon. Niets blijkt minder waar.

Ergens schrijft Van Rooy in verband met stijlcitaten uit andermans werken: ‘Zou het hier een pikactie van Berlage betreffen?’ Dan komt een wezenlijke draai: ‘Bedenk dat we ons midden in het tijdperk van het eclecticisme bevinden – uitgelezen bouwstijl voor roofvogels.’ De bouwkunst in negentiende eeuw is voor de minder welwillende beschouwer inderdaad vaak een ratjetoe aan (ontleende, geciteerde) neo-stijlen. Bij Berlages grote voorganger en katholiek emancipator Pierre Cuypers – bouwmeester van Centraal Station en Rijksmuseum ter stede – niet minder dan bij Berlage zelf.

Net als in literatuur en schilderkunst probeerde men in de bouwkunst het bestaansrecht van de relatief jonge (sinds 1813) Nederlandse natie te stipuleren door aan een groots verleden te refereren. Cuypers concentreerde zich daarbij vooral op de roomse periode – zie het kathedraalachtige, gotieke aspect van zijn grote werken. Berlage toont zich sterker geïnspireerd door de Renaissance. Tegelijkertijd kun je in beider werk zowel neo-gotieke als neo-klassieke elementen aanwijzen. Eclecticisme dus, van alles wat. Van Rooy neemt de ruimte om deze ‘stroming’ uitgebreid te schetsen, wat leidt tot een van zijn vele fraai gedetailleerde architectuurhistorische overzichten. Aangenaam is ook de anekdotische wijze waarop Van Rooy bijvoorbeeld het jarenlange, roerige ontstaansproces van de Amsterdamse Beurs uiteenzet (locatie, keuze van architect, ontwerpgeschiedenis).

Lees ook dit interview van Jennetje Koelewijn met Max van Rooy

De ‘wording’ van Berlage komt intussen uitstekend uit de verf, met centraal daarin de Italiaanse platgetopte, hoekige toren en zijn liefde voor de schoorsteen. In bouwstijl ontwikkelt Berlage zich tot (‘rooie’) tegenhanger van de katholieke Cuypers, maar gaande zijn leven blijf je tegelijkertijd in beider vormentaal overeenkomsten zien. Zo radicaal nieuw was Berlage nu ook weer niet. Zijn door tijdgenoten gesmade liefde voor de baksteen zou pas bij de latere Amsterdamse School haar culminatie vinden, en de rationele bouwstijl is pas wezenlijk door Bauhaus de nek omgedraaid. Berlage bleef wezenlijk eclecticist, ook in denken. Al dan niet socialistische gemeenschapszin, theosofie, protestantse kaalheid à la Saenredam, opgeluisterd door tegeltableaus in Jugendstil, et cetera. Je vindt alles bij hem terug.

Tuin en bestek

Max van Rooys zeer aangenaam leesbare boek is ondanks alle feitelijkheid een persoonlijke biografie, met eigen voor- en afkeuren. De biograaf slaagt er in heel wat antwoorden te geven op Berlages drijfveren, maar de slotvraag bij een foto van de hoofdpersoon op leeftijd is tekenend: ‘Wat zou er omgaan in deze stille man?’ De kleinzoon spreekt, ondanks bewondering toch géén liefhebber van grootvaders ‘roofvogelachtigheid’ of eclecticisme in het algemeen. Enige moeite heeft Van Rooy ook met Berlages beslissing zich enige jaren als huisarchitect ‘uit te leveren’ aan het grootkapitaal van Helene Kröller-Müller, wat zou leiden tot diens Gesammtkunstwerk: het Jachthuis Sint Hubertus te Hoenderloo (1920). Berlage ontwierp letterlijk alles aan dit meesterwerk, tot tuin en bestek aan toe, in een stijl die afwijkt van zijn veel rationeler ogend Beursgebouw uit 1903.

Wat er allemaal is omgegaan in de ‘stille’ Berlage kan ook biograaf Max van Rooy niet precies doorgronden. Wilskracht, doorzettingsvermogen, hemelsbrede interesse en samenhangende eruditie, zoveel is duidelijk. Het woord ‘visionair’ komt op bij twee ontwerptekeningen, die Van Rooy in zijn biografie liet afdrukken. De eerste is Berlages ontwerp van een uitzinnig eclectisch ‘Monument Historique’ (torens, schoorstenen!) voor de Wereldtentoonstelling in Parijs in 1889. De tweede (Van Rooy: ‘Het meest ideële ontwerp van al zijn ideële ontwerpen…’) is zijn evenzeer nooit gebouwde ‘Pantheon der Mensheid’ (1915), een monument ter herdenking van de gevallenen in de Eerste Wereldoorlog. Het contrast met het eenvoudige, zo niet saaie woonhuis dat hij voor zichzelf en gezin liet bouwen kan bijna niet groter zijn. Fascinerend.