Recensie

Recensie Boeken

Laten we het ook eens serieus over de problemen van mannen hebben. Die zijn namelijk echt

Genderongelijkheid Jongens doen het slechter op school, mannen plegen vaker zelfmoord. Tijd om het over de problemen van de man te hebben, vindt Richard V. Reeves.

Foto Buena Vista Images
Foto Buena Vista Images

Ligt dat niet te gevoelig, een boek schrijven over de problemen van de man? Vrienden van Richard V. Reeves, die Of Boys And Men schreef, raadden het hem af. In het huidige Amerikaanse politieke klimaat, zeiden ze, zouden zij zich er zelf niet aan willen branden.

Progressievelingen zouden je direct in het conservatieve kamp scharen, onder de Trump-stemmers. Want zijn het niet nog steeds de vrouwen die minder verdienen, vaker slachtoffer zijn van aanranding, te weinig in de bestuurskamers zitten? Aan de andere kant roepen conservatievelingen dat ‘links’ alles wat mannelijk is wil labelen als toxic, en biologische verschillen tussen mannen en vrouwen wil uitgummen.

Hoe te laveren door deze gepolariseerde culture wars, die met name in de Verenigde Staten fel worden gevoerd? We kunnen én de problemen van de man benoemen én gepassioneerd zijn over vrouwenrechten, schrijft de Brits-Amerikaanse Reeves, senior fellow aan de vooraanstaande denktank Brookings Institution in Washington DC.

Mannen worstelen. Dat maakt Reeves wel duidelijk met een overdaad aan, met name, Amerikaanse statistieken. Tegenover elke 100 bachelordiploma’s voor vrouwen gaan er vandaag de dag 74 naar mannen, bijvoorbeeld. Mannen stoppen vaker met school, zijn vaker eenzaam, wonen minder vaak bij hun kinderen. Drie van de vier ‘wanhoopsdoden’ (door zelfmoord of een overdosis) zijn mannen.

In 2021 zei 15 procent van de mannen dat ze geen goede vrienden hebben, in 1990 was dat nog 3 procent. ‘Ineens betekent werken aan gendergelijkheid focussen op jongens in plaats van meisjes’, schrijft Reeves ietwat boud.

Lees ook het opiniestuk van Maarten Huygen: De man heeft wel degelijk nut

Mannelijke misère

Maar de loonkloof dan? Ja, voor elke honderd dollar die mannen in de VS verdienen, verdienen vrouwen er 82, schrijft Reeves al direct op de eerste pagina. Maar dat zijn gemiddeldes. Vooral aan de bovenkant domineert de man: slechts 41 van de 500 bedrijven in de Fortune 500 heeft een vrouwelijke CEO, slechts 3 procent van Amerikaanse durfinvesteringen gaat naar bedrijven van vrouwelijke oprichters.

De extreme ongelijkheid in de top vertroebelt andere ontwikkelingen lager op de economische ladder. Het inkomen van mannen met alleen een middelbareschooldiploma is sinds 1979 met 14 procent gedaald, gecorrigeerd naar inflatie. Onder zwarte Amerikanen, die nog steeds vaak in de lagere sociaal-economische klasse vallen, zijn vrouwen nu váker kostwinner dan mannen. Witte vrouwen verdienen meer dan zwarte mannen.

Onder jonge volwassenen is de loonkloof tussen mannen en vrouwen nagenoeg non-existent, zeker als ze geen kinderen hebben. De loonkloof die er is, schrijft Reeves, is in feite een ouderschapskloof. Per kind gaat de vrouw er qua inkomen op achteruit omdat ze de zorgtaken op zich neemt. (Bij lesbische koppels waarvan beide vrouwen een kind krijgen, blijft het inkomen gelijk.)

Waar vrouwen de afgelopen jaren steeds vaker kostwinner zijn geworden, hebben de vaders niet met gelijke tred zorgtaken op zich genomen. Reeves: ‘De verschuivende economische relatie tussen mannen en vrouwen heeft zo snel plaatsgevonden, dat onze cultuur die niet kon bijbenen.’

De rol van de man in de familie werd lang gedefinieerd als kostwinner. Daar ontlenen mannen een groot deel van hun identiteit aan, schrijft Reeves. De vrouwenbeweging heeft zo de mannelijke kwetsbaarheid zichtbaar gemaakt (niet veroorzaakt). Vrouwen waren in gezinnen weliswaar economisch afhankelijk, maar mannen emotioneel, blijkt nu.

‘De ware aard van de mannelijke misère is niet een gebrek aan arbeidsmarktparticipatie maar een culturele overbodigheid’, schrijft Reeves. Volgens het Pew Research Centre geven vrouwen op meer manieren betekenis aan hun leven (werk, familie en vrienden) dan mannen.

‘Vrouwelijke’ beroepen

Mannen hebben ook de automatisering niet mee, omdat die met name impact heeft op beroepen die vooral door mannen worden bevolkt, zoals in de logistiek en de bouw. Terwijl de vraag naar werknemers in traditioneel ‘vrouwelijke’ beroepen, zoals de zorg en het onderwijs, alleen maar is gegroeid.

Niet gek dat veel mannen in de lagere klassen boos worden van de links-progressieve weerstand tegen ‘giftige mannelijkheid’ en ‘het patriarchaat’. Zij zien vaak helemaal geen ‘mannelijke dominantie’ in hun omgeving.

Reeves uit slim kritiek op zowel progressief links, dat zich er volgens hem te weinig rekenschap van geeft dat ook mannen het onderspit kunnen delven, als op conservatieve groepen, die het liefst de klok decennia zouden willen terugdraaien om de traditionele familierelaties te herstellen.

Reeves is overigens niet de eerste die nu eens de man centraal stelt. Het vroegste voorbeeld uit zijn eigen boek stamt uit 1958 met het essay ‘The Crisis of American Masculinity’ van Arthur Schlesinger. Reeves citeert rijkelijk uit The End of Men (2012) van Hanna Rosin. In Nederland deed Maarten Huygen met Het nut van de man een duit in het zakje. Maar Reeves schrok naar eigen zeggen zó van de mannenproblemen, dat hij toch besloot zelf aan het schrijven te slaan. Dat levert een tamelijk compleet en tegelijkertijd beknopt overzicht op.

Lees ook de recensie van Hanna Rosins The End of Men: Het matriarchaat heeft de toekomst

Of Boys And Men is op z’n sterkst als Reeves laat zien hoe beleidsmakers (in ieder geval in de VS) een blinde vlek hebben voor de problemen van de man. Gezien de voorsprong van meisjes in het onderwijs is het eigenlijk onbegrijpelijk dat er wel een National Coalition for Women and Girls in Education is, maar geen mannelijke variant. Hij maakt zich terecht boos dat de in ‘National Strategy on Gender Equity and Equality’ nergens een achterstand van jongens wordt genoemd.

Oplossingen

Reeves is een beleidsfetisjist die ook met oplossingen komt, al komen die soms wat simplistisch over. Zo stelt hij een nationale wervingscampagne voor om werk in de zorg en het onderwijs aantrekkelijk te maken voor mannen. Nu wordt nog geprobeerd personeelstekorten op te lossen met ‘één helft van de beroepsbevolking’. Maar Reeves noemt nergens de lage salarissen in die sectoren.

Om de prestaties van jongens te verbeteren op school, komt Reeves met het radicale idee om jongens een jaar later met school te laten beginnen. Dat baseert hij vooral op biologie: de hersenen en cognitieve vaardigheden van jongens zouden zich trager ontwikkelen dan die van meisjes. Daar is de wetenschap nog niet helemaal over uit, maar Reeves citeert onderzoek waaruit blijkt dat jongens flink profiteren van zo’n jaar vertraging.

Nederland is heel anders dan de Verenigde Staten, maar Of Boys And Men biedt goede aanknopingspunten om het vaker te hebben over de problematiek van de Nederlandse man. Ook in Nederland vallen jongens vaker uit op school, blijven ze vaker zitten en stromen ze vaker door naar lagere onderwijsniveaus, volgens de Onderwijsraad. Ook in Nederland komen veel jonge mannen (en niet allemaal tieners) hun kamer niet meer uit. Ook hier overlijden mannen twee keer zo vaak als vrouwen door zelfdoding. In één leeftijdsgroep, tussen de 25 en 35 jaar, zijn het nu de mannen die vaker zonder werk zitten.

Zijn we ons in Nederland daar genoeg van bewust? ‘Meer doen voor jongens en mannen betekent niet het loslaten van het ideaal van gender-gelijkheid’, besluit Reeves zijn boek. ‘Het is er een verlengstuk van.’ Die gedachte, concludeert Reeves, zou helemaal niet zo beladen moeten zijn.