Recensie

Recensie Boeken

De eeuw van China? Die komt er niet. Het land staat er minder goed voor dan iedereen denkt

China Veel waarnemers in het Westen denken dat de opkomst van China onvermijdelijk is. In werkelijkheid staat het land er verre van goed voor, zo laat historicus Frank Dikötter zien in zijn boek China na Mao.

De Chinese president Xi Jinping, te midden van het Politburo van de Chinese communistische partij, afgelopen maand in de noordwestelijk gelegen Chinese stad Yan’an. Foto Yan Yan/Xinhua/AP
De Chinese president Xi Jinping, te midden van het Politburo van de Chinese communistische partij, afgelopen maand in de noordwestelijk gelegen Chinese stad Yan’an. Foto Yan Yan/Xinhua/AP

‘China lijkt op een tanker die er van een afstand indrukwekkend uitziet – met de kapitein en zijn luitenants fier op de brug – terwijl de matrozen benedendeks vertwijfeld water pompen en gaten dichten om het schip drijvende te houden’, schrijft historicus Frank Dikötter in China na Mao. De opkomst van een supermacht. Buitenlandse waarnemers vermoeden vaak een ‘groot plan’ of ‘geheime strategie’ achter de opkomst van China. Daar is volgens Dikötter helemaal geen sprake van.

Wonend in China zou je Dikötter instinctief gelijk geven. Zo experimenteert het land op dit moment weer hortend en stotend met mogelijke uitwegen uit de corona-epidemie door een reeks maatregelen die elkaar snel opvolgen en vaak haaks op elkaar staan. Maar als er eenmaal een uitweg is gevonden, dan zal de weg daar naartoe de Chinese geschiedenisboeken ongetwijfeld ingaan als een onvermijdelijk succes, gebaseerd op de onfeilbare inzichten van de Communistische Partij van China (CPC) en zijn leider Xi Jinping.

Dikötter schreef een prikkelend, informatief en zeker ook contrair boek, waarin hij laat zien dat beleidswijzigingen in China meestal niet weloverwogen en goed gepland zijn. ‘Wat je wel ziet zijn massa’s onvoorspelbare gebeurtenissen, onvoorziene gevolgen, abrupte koerswijzigingen en een eindeloze machtsstrijd achter de schermen’, aldus de auteur, eerder hoogleraar Moderne Chinese Geschiedenis in Londen en sinds 2006 verbonden aan de Universiteit van Hongkong.

China na Mao is een vervolg op zijn trilogie over China onder Mao waarmee hij naam maakte. In drie kloeke delen wierp hij daarin een verrassend nieuw licht op China’s recente geschiedenis. Dikötter kreeg daarvoor toegang tot Chinese archieven die eerder niet open waren voor buitenlandse onderzoekers. Hij kwam onder meer tot de conclusie dat er rondom de periode van de zogeheten Grote Sprong Voorwaarts in de jaren 1958-1962 zo’n 45 miljoen mensen in China moeten zijn omgekomen, in grote meerderheid van de honger.

Ook China na Mao is gebaseerd op speurwerk in Chinese archieven. Waar onder Xi Jinping materiaal over bijvoorbeeld de Culturele Revolutie (1966-1976) weer goeddeels ontoegankelijk is geworden omdat de periode te gevoelig ligt, vertelt Dikötter dat het tegelijk juist makkelijker werd om onderzoek te doen naar de periode van ‘Hervorming en Opendeurpolitiek’ vanaf 1978, twee jaar na de dood van Mao.

Lees ook dit interview met Frank Dikötter uit 2016: ‘Xi Jinping weet het ook: de geest is allang uit de fles’

Die periode wordt in het huidige China in een gouden licht geschilderd. Het is de tijd waarin het Chinese economische ‘groeiwonder’ tot stand kwam: de economie groeide vaak met meer dan tien procent per jaar, en snelde steeds dichter naar die van de Verenigde Staten toe.

Ook in het buitenland is die rooskleurige visie goeddeels overgenomen, volgens Dikötter zonder dat er eerst echt goed is gekeken of dat beeld wel klopt. ‘Sommige experts vinden de vraag of we eigenlijk wel van een wonder kunnen spreken blijkbaar minder interessant dan die of er misschien een einde aan gekomen is’, stelt hij licht venijnig.

China-watchers

Dat venijn keert vaker terug in zijn boek: Dikötter ergert zich aan ‘China-watchers’: buitenlandse experts die net als ooit de Kremlin-watchers leunen op observaties van wat Chinese leiders doen of nalaten om dan precies te kunnen verklaren wat er in China aan de hand zou zijn.

Dikötter baseert zich liever op zo’n zeshonderd documenten uit twaalf gemeentelijke en provinciale archieven. Daarnaast steunt hij op de geheime dagboeken van Li Rui, persoonlijk secretaris van Mao. Na Mao’s dood werd hij adjunct-directeur van het invloedrijke organisatiebureau van de partij.

Wordt de 21ste eeuw de Eeuw van China? Dikötter gelooft daar niet in

Li was een voorstander van democratische hervormingen binnen een socialistisch kader. Toen hij midden jaren tachtig weigerde om kinderen van hoge communisten voorrang te geven bij bevorderingen, verspeelde hij zijn carrière-kansen en begon geheime dagboeken te schrijven. Die geven een inkijkje in hoe er aan de top van de Communistische Partij van China werd gedacht en besloten. Zijn dagboeken eindigen in 2012, het jaar dat Xi Jinping aan de macht komt. De dagboeken zijn door zijn dochter het land uit gesmokkeld en bevinden zich nu in de VS.

Dikötter stopt in 2012, het jaar dat de huidige president Xi Jinping voor het eerst tot algemeen secretaris van de Communistische Partij (CPC) wordt gekozen. Uit zijn naspeuringen komt vooral een heel rommelig beeld naar voren van proberen en mislukken, van grote verkwisting en van zich steeds weer herhalende patronen. En van een rotsvast geloof in de superioriteit van het eigen systeem.

Lees ook: In China gaat politieke stabiliteit nu even voor economische groei

Dikötter maakt vooral twee punten. Ten eerste stelt hij vast dat de partij nooit serieuze plannen had om China van een marxistisch-leninistische staat om te vormen tot een constitutionele democratie. Een van de grote geopolitieke misverstanden van de twintigste eeuw was volgens hem het idee dat zodra de Volksrepubliek China zich economisch ontwikkelde er een democratie zou ontstaan.

Met die conclusie staat Dikötter niet alleen. Momenteel is het in brede kring bon ton om te stellen dat iedereen zich wat dat betreft volledig heeft vergist in China. Dikötter beschrijft ook waarom velen eerder wél geloofden dat China democratisch zou worden: ‘Zo nu en dan toverde een Chinese leider een glimlach tevoorschijn en gebruikte de term ‘hervorming’, waardoor deskundigen in het buitenland in een roes van speculaties belandden over de nu echt op handen zijnde overgang naar democratie, omdat zorgvuldig verborgen krachten binnen de partijmachine eindelijk de lang uitgestelde overhand zouden krijgen’, zo schrijft hij. Maar hij gaat wel erg gemakkelijk voorbij aan discussies die na de dood van Mao binnen China, en ook binnen de partij, wel degelijk zijn gevoerd. Dan ging het bijvoorbeeld over meer democratie binnen de partij zelf, en over een vrijere rol voor de media, die niet langer als enige opdracht zouden moeten hebben: ‘Wees de stem van de Partij’. Eerder zou hun taakopvatting moeten luiden: ‘Geef de bevolking een stem om te zeggen wat er niet goed is in de maatschappij.’ Dat de westerse wereld gokte op meer politieke hervormingen in China was daarmee net iets minder naïef dan Dikötter het doet voorkomen.

Wat hij op economisch vlak boven tafel haalt, is in verrassende tegenspraak met hoe er over het algemeen over China wordt gedacht. Hij haalt het idee onderuit dat China na de dood van Mao op een lange rechte weg naar ongekend economisch succes terecht zou zijn gekomen.

Hij stelt zelfs dat China na 1989 nooit écht het pad van economische liberalisering is ingeslagen. ‘Na 1989 heeft de partijtop niet één keer overwogen de economie open te stellen voor echte marktconcurrentie. De reden is eenvoudig: de leiders wisten dat de economie dan onmiddellijk zou instorten’, zo schrijft hij.

Ook komt hij tot de verrassende conclusie dat China er na alle hervormingen niet zo heel anders voorstaat dan veertig jaar geleden. Dat is niet helemaal overtuigend. Ja, de economie is altijd onder het gezag gebleven van de Partij en ja, voornamelijk mensen met partijbanden profiteerden van de liberaliseringen. Maar het is ook waar dat op een gegeven moment de private bedrijven zo sterk konden worden, en zo rijk, dat ze een gevaar begonnen te vormen voor de gevestigde orde.

Wel heeft hij gelijk dat dat niet betekent dat ‘de’ Chinezen nu rijk zijn. Hij haalt een uitspraak van China’s premier Li Keqiang aan. Die verklaarde dat er in juni 2020 dat nog steeds 600 miljoen mensen van minder dan 140 dollar per maand moeten leven. Dikötter legt ook uit dat het geld vooral in handen is van de overheid, en niet van de gewone burgers.

Verspilling en wanbeheer

Echt interessant is het boek vooral om een andere reden. Dikötter weet veel historische patronen aan te wijzen die al onder Mao te zien waren, en die sindsdien niet wezenlijk zijn veranderd.

Zo geeft hij een verrassende reden waarom Mao Zedong in 1972 de banden aanhaalde met de VS. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Henry Kissinger, en andere naïeve bewonderaars prezen Mao na zijn ommezwaai als een geniaal strateeg. Maar: ‘In feite berustte de tournure op een van de grote geopolitieke misverstanden van de twintigste eeuw: dat de Verenigde Staten als wereldmacht op zijn laatste benen liep. Dat misverstand zou het beleid van Peking nog decennia lang bepalen.’ Daarmee werd Amerika volgens Dikötter een handige bondgenoot tegen de Sovjet-Unie, in de ogen van Mao het echte gevaar.

China’s huidige president gelooft ook dat de VS op hun laatste benen lopen. Verschil met 1972 is dat dit idee nu ook internationaal veel weerklank vindt. Waar de 20ste eeuw de Eeuw van de VS was, wordt de 21ste eeuw de Eeuw van China, zo wordt ook buiten China veel verkondigd. Dikötter gelooft daar niet in. Uit zijn boek komt China eerder naar voren als een reus op lemen voeten, een land dat nu de prijs betaalt voor de zich steeds herhalende fouten die de CPC in de voorafgaande periode heeft gemaakt.

In de epiloog vat hij een aantal van China’s huidige problemen samen: oplopende schulden, overcapaciteit bij staatsbedrijven, decennialange verwaarlozing van het platteland. ‘De gemakkelijke opties – buitenlands kapitaal aannemen, onbeschermde arbeid uitbuiten, land verkopen om aan geld te komen, gesubsidieerde exportgoederen produceren, staatsbedrijven naar het buitenland brengen, lenen om te bouwen en morgen terugbetalen – waren er niet meer’, schrijft hij. China zit daarmee volgens hem op een doodlopende weg.

Daarmee zit Dikötter in het kamp van degenen die geloven dat China eerst verlost moet worden van het communistische systeem voordat het land een kans heeft om werkelijk tot bloei te komen. Een communistisch systeem deugt gewoon niet en de economie zal onder zo’n systeem nooit goed kunnen floreren. Het is de spiegelbeeldige opvatting van wat Mao geloofde en Xi gelooft, of in elk geval zegt te geloven. Xi denkt dat de VS en het Westen op weg zijn naar de ondergang, omdat hun politieke en economische systemen historisch gezien inferieur zouden zijn aan het communisme. Dat leert immers het marxisme: op het kapitalisme volgt het communisme als hogere ontwikkelingsfase van de mensheid. Dat is een wetmatigheid.

Het zou Dikötter onrecht doen om te stellen dat hij een doodlopende weg voor China puur en alleen ziet omdat hij niet gelooft in een communistisch ontwikkelingsmodel. Zijn analyse wemelt van de voorbeelden die overtuigend laten zien hoe het Chinese communistische systeem in het verleden niet werkte, hoe het steeds opnieuw leidde tot verspilling en wanbeheer van publieke middelen, en hoe corruptie eigen is aan de éénpartijstaat. Dan is er immers geen scheiding van machten, en dus geen onafhankelijk toezicht op de macht.

Dikötter schreef met China na Mao een zeer informatief werk dat soms bijna té zeer bol staat van details, een werk dat niettemin iedereen zou moeten lezen die zich wil wapenen tegen al te makkelijke soundbites die experts elkaar vrijwel allemaal lijken na te zeggen.

Lees ook de recensie van Rob de Wijks boek De slag om Europa: Volgens dit boek over de opkomst van China heeft ‘niemand meer enige kennis van zaken’. Zou het?